De taalkundige betekenis van woorden

Lotte Hogeweg
mw. dr. L. Hogeweg is postdoctoraal onderzoeker bij het Centre for Language Studies van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Met interesse nam ik onlangs kennis van de discussie die er in de juridische wereld bestaat omtrent de uitleg van overeenkomsten. De centrale vraag binnen deze discussie is of er bij de uitleg van overeenkomsten uitgegaan moet worden van een objectieve betekenis van woorden of dat woorden uitgelegd moeten worden met inachtneming van de gemeenschappelijke partijbedoeling. Vanuit mijn discipline, de taalwetenschap, zal ik hieraan enkele bespiegelingen toevoegen.

De subjectieve uitleg, of Haviltex-formuleHR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Ermes/Haviltex; m.nt. C.H.J. Brunner)., houdt in dat er bij de uitleg van woorden rekening gehouden wordt met de concrete omstandigheden waaronder de overeenkomst tot stand kwam en de betekenis die de partijen daar redelijkerwijs aan mogen hechten. Daartegenover staat de zogenaamde CAO-uitlegHR 17 september 1993, NJ 1994, 173 (Gerritse/HAS; m.nt. P.A. Stein) en HR 24 september 1993, NJ 1994, 174 (Hol/EIM; m.nt. P.A. Stein)., waarbij men de omstandigheden niet meeweegt maar de interpretatie plaatsvindt op basis van informatie die ook bij derden bekend kan worden geacht. Wat mij als taalkundige verbaasde, was dat naar die laatste wijze van uitleg ook wel verwezen wordt met ‘de taalkundige uitleg’. De reden hiervoor is dat er in de taalkunde vrij vaak aangenomen wordt dat woorden geen contextonafhankelijke betekenis hebben.

Taal is een wonderlijk fenomeen; met een beperkte set van woorden en regels kan een onbeperkte set van zinnen gecreëerd en begrepen worden. Deze eigenschap van taal wordt toegeschreven aan het principe van compositionaliteit. Dit principe houdt in dat de betekenis van het geheel op te maken is uit de betekenis van de delen en de manier waarop die delen samengevoegd zijn. Kent men bijvoorbeeld de betekenis van de woorden ‘rode driehoek’ en ‘blauw vierkant’, dan betekent dit automatisch dat men ook de betekenis kent van ‘rood vierkant’ en ‘blauwe driehoek’. Kent men de betekenis van ‘Jan slaat Marie’, dan kent men ook de betekenis van ‘Marie slaat Jan’, et cetera. Dit principe vereist dat woorden (tot op grote hoogte) een vaststaande betekenis hebben die behouden blijft in verschillende combinaties. Hoewel het voor de hand lijkt te liggen dat we de betekenis van een zin kennen doordat we de betekenis kennen van de woorden waaruit die zin bestaat, lopen we al snel tegen problemen aan zodra we naar natuurlijk taalgebruik gaan kijken. Om bij de kleuraanduidende bijvoeglijke naamwoorden te blijven, neem de woordcombinaties ‘rode appel’ en ‘rode grapefruit’. Het principe van compositionaliteit voorspelt dat als we de betekenis van ‘grapefruit’ kennen en van ‘rode appel’, we automatisch de betekenis van ‘rode grapefruit’ kennen. Maar is dit ook zo? De meest voor de hand liggende interpretatie van ‘rode appel’ is die waarbij de schil van de appel (deels) rood is, terwijl bij de meest voor de hand liggende interpretatie van ‘rode grapefruit’, het de binnenkant van de vrucht is die rood is. En welk deel moet rood zijn om te kunnen spreken van een ‘rood huis’ (waarschijnlijk de bakstenen en niet het interieur) en van een ‘rode bloem’ (waarschijnlijk de blaadjes en niet de steel), enzovoort? En wat te denken van de precieze kleur die met het woord ‘rood’ aangeduid wordt? De kleur waaraan men denkt bij het horen van de woordcombinatie ‘rood haar’ verschilt waarschijnlijk erg van de kleur die men toekent aan ‘rode wijn’. Deze flexibiliteit is geen eigenaardigheid van kleurenadjectieven maar geldt praktisch voor alle woorden van een taal. ‘Snel’ in een ‘snelle auto’ verwijst naar de afstand die de auto in een bepaalde tijd kan afleggen terwijl ‘snel’ in een’ snelle maaltijd’ verwijst naar de tijd die nodig is om de maaltijd te bereiden of op te eten. En zo zijn er oneindig veel voorbeelden te verzinnen.

Bovengenoemde voorbeelden laten zien dat het onmogelijk is om te spreken van dé betekenis van ‘rood’, dé betekenis van ‘snel’, enzoverder. De betekenis van ’rood’ is de interpretatie die een hoorder eraan toekent wanneer het geuit wordt in een specifieke contextEr bestaan binnen de taalkunde en filosofie ook andere zienswijzen met betrekking tot de contextafhankelijkheid van woorden. Jerry Fodor bepleit in verschillende werken bijvoorbeeld dat om het principe van compositionaliteit te laten werken en daarmee om taal als geheel te laten werken, er sprake moet zijn van contextonafhankelijke woordbetekenissen (zie bijvoorbeeld J. Fodor, & E. Lepore, The compositionality papers, Oxford: Clarendon Press 2002).. Als het goed gaat (wat gelukkig meestal het geval is) wijkt de interpretatie niet zodanig af van wat de spreker bedoelde dat er sprake is van miscommunicatie. Zo kunnen we concluderen dat bij succesvolle communicatie de betekenis van een woord gelijk staat aan de bedoeling van een spreker. Aangezien dit de enige vorm van betekenis is die aan een woord toegekend kan worden, kunnen we concluderen dat (bij succesvolle communicatie in natuurlijk taalgebruik) er geen betekenis bestaat die los staat van de intenties van een spreker.

Er zijn enkele grote verschillen tussen de taal van een overeenkomst en het ‘natuurlijk’ taalgebruik waarop de taalkunde het meerendeel van zijn theorieën baseert. Ten eerste is de tekst waaruit een overeenkomst bestaat niet onderdeel van een conversatie tussen twee of meer personen. In een conversatie doet een spreker een uiting die vervolgens geïnterpreteerd wordt door een hoorder. Bij het opmaken van een overeenkomst daarentegen overleggen belanghebbenden samen over de juiste formulering die door henzelf en anderen, op een later tijdstip, weer geïnterpreteerd zal worden. Hiermee hangt een nog groter verschil samen, namelijk dat natuurlijk taalgebruik gedreven wordt door een principe dat niet lijkt te gelden bij de totstandkoming van overeenkomsten. In een invloedrijk werk formuleerde Grice het zogeheten ‘coöperatieprincipe’H.P. Grice, ‘Logic and Conversation’, in: P. Cole & J.L. Morgan (red.), Syntax and Semantics. Volume 3. Speech acts, New York: Academic Press 1975, p. 41-48.. Dit principe luidt als volgt: ‘Make your conversational contribution such as is required, at the stage at which it occurs, by the accepted purpose or direction of the talk exchange in which you are engaged’. Let wel, dit is geen prescriptieve regel waaraan men zich volgens Grice dient te houden maar een descriptief principe waaraan mensen zich blijken te houden als zij converseren. Mensen stellen zich in gesprekken coöperatief op en gaan ervan uit dat hun gesprekspartners dat ook doen. Dit houdt niet in dat mensen het altijd met elkaar eens zijn of dat zij nooit liegen, maar het betekent dat mensen ervan uitgaan dat de uitingen van hun gesprekspartners zinnig en betekenisvol zijn. Zo interpreteren wij een antwoord als ‘ik heb hoofdpijn’ op de vraag ‘ga je mee naar de kermis?’ als een negatief antwoord op deze vraag en niet als losstaande, irrelevante informatie. Zo interpreteren wij de uiting ‘kun je het zout aangeven?’ niet als een vraag naar onze lichamelijk vermogens maar als een verzoek. Plak twee willekeurige uitingen achter elkaar en mensen zullen proberen er een verband tussen te vinden. Het belang van dit principe voor taal valt bijna niet te overschatten. Het zorgt ervoor dat we ondanks de hierboven beschreven flexibiliteit van taal elkaar (meestal) toch zonder problemen begrijpen.

Het probleem bij de opmaak en uitleg van overeenkomsten is dat de betrokkenen in hun taalgebruik niet volledig coöperatief zijn. Hiermee bedoel ik niet dat verschillende partijen vaak andere belangen nastreven, maar dat zij elkaars woorden niet interpreteren met het zuivere doel de intenties van de spreker te achterhalen. Hiermee wordt de taal in een context geplaatst waarin de natuurlijke totstandkoming van betekenis niet plaatsvindt. Waar men normaal de betekenis van een woord opmaakt met behulp van de context waarin het geplaatst is, moet men in deze situatie nadenken over mogelijke andere contexten waarin het woord voor kan komen en wat het onder die omstandigheden zou betekenen. De rol van een rechtsprekende instantie zou kunnen zijn om het coöperatieprincipe op te leggen aan partijen bij de interpretatie van overeenkomsten. Het coöperatieprincipe zorgt ervoor dat we niet alleen letten op de woorden die de spreker daadwerkelijk geuit heeft, maar dat we ook rekening houden met andere mogelijk uitingen die een spreker gedaan zou kunnen hebben. Neem bijvoorbeeld de interpretatie van de zin ‘Jan heeft de meeste aanwezigen een hand gegeven’. Is deze zin ook waar als Jan alle aanwezigen een hand gegeven heeft? We kunnen niet zeggen dat deze zin niet waar is onder die omstandigheden (immers, als Jan alle mensen een hand heeft gegeven, heeft hij ook de meeste mensen een hand gegeven). Echter, we zullen deze uiting toch interpreteren als dat Jan de meeste maar niet alle mensen een hand gegeven heeft. Was dat namelijk het geval geweest, dan had de spreker wel de uiting ‘Jan heeft alle aanwezigen een hand gegeven gebruikt’. Dus hoewel ‘meeste’ een lezing van ‘alle’ niet uitsluit, zullen we (in deze situatie) deze lezing verwerpen omdat bij die betekenis een andere uiting meer voor de hand gelegen had. Deze wijze van redenatie zou ook bij de vaststelling van de interpretatie van een overeenkomst kunnen gelden. Als een partij pleit voor een bepaalde interpretatie van een passage, kan men als volgt redeneren: gegeven deze interpretatie, is de aangetroffen bewoording hiervoor de beste formulering, gezien de context en omstandigheden waaronder het document tot stand kwam? Onder die omstandigheden valt ook het gegeven of derden een belang hebben bij de overeenkomst, zoals het geval is bij bijvoorbeeld een cao. Wil men over een subjectieve of objectieve uitleg spreken, dan zijn dit slechts effecten van hetzelfde coöperatieprincipe. Deze zienswijze sluit aan op het DSM/Fox-arrest, waarin gesproken wordt van een overkoepelende norm die inhoudt dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

Ter conclusie: het zou nuttig en wenselijk kunnen zijn om bij geschillen over de uitleg van een overeenkomst de interpretatie ervan zo veel mogelijk te laten leiden door de ‘regels’ van natuurlijk taalgebruik. Daarbij is een onderscheid tussen een subjectieve en taalkundige interpretatie niet zinnig. Taalkundige principes zorgen er juist voor dat we uitingen zodanig begrijpen dat onze interpretatie zo dicht mogelijk in buurt komt bij de bedoelingen van de spreker.