Heropvoedingskampen voor jonge draaideurcriminelen

Claudia van Vaals
mw. C.C.M. van Vaals, MSc heeft na het voltooien van haar bacheloropleiding pedagogiek de onderzoeksmaster behavioural science afgerond en is thans bachelorstudent rechtsgeleerdheid aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Stiekem in de snoepwinkel een snoepje in je mond stoppen zonder af te rekenen, midden in de nacht graffiti spuiten, zonder fietsverlichting naar huis rijden, een keer spijbelen omdat die ene les Frans je toch niet zo leuk leek en je liever in bed bleef liggen; wie kent het niet? Waarschijnlijk zal menigeen deze gedragingen herkennen. Het is grensoverschrijdend gedrag waar nauwelijks een haan naar kraait wanneer het eenmalig voorkomt. Maar wat als deze gedragingen een structureel deel uit gaan maken van iemands leven en het grensoverschrijdende gedrag steeds extremer wordt?

Heropvoeding
Herman Bolhaar, voorzitter van het college van procureurs-generaal, pleit voor een harde aanpak van jeugdige criminelen. De meest gewelddadige jeugddelinquenten wil hij als laatste redmiddel zelfs verplichten tot heropvoeding, afgesloten van de buitenwereld. Het is een uitspraak die wel vaker gehoord wordt, met name wanneer een ernstig incident met een jeugdige verdachte heeft plaatsgevonden. De gedachte die vaak met deze uitspraak gepaard gaat is dat de samenleving tijdelijk van de jongere en zijn probleemgedrag ‘verlost’ is en er op den duur een sociaal aangepast individu voor in de plaats krijgt. Halleluja alom, dus. De vraag is echter of deze verplichte heropvoeding wel zo’n goed idee is.

De repressiebenadering
De opvatting van Herman Bolhaar kan geschaard worden onder wat ook wel de ‘repressiebenadering’J.R.M. Gerris, J.W. Veerman & A.E.J.M. Tellings, Jeugd- en gezinsbeleid vanuit pedagogisch perspectief. Deel 1: Theorie en achtergronden, Apeldoorn: Garant 2010, p. 30. genoemd wordt. Deze benadering heeft als uitgangspunt dat jongeren een sterk sturende invloed nodig hebben om op te groeien. Wanneer een kind probleemgedrag laat zien, zou dan ook opgetreden moeten worden met een harde, bestraffende aanpak. De werking van straf en het dreigen met sancties worden dus als effectieve middelen gezien om gedragsverandering te bewerkstelligen. Bolhaar schermt niet alleen met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf, maar wil jonge draaideurcriminelen ook verplichten deel te nemen aan behandelprogramma’s. Wanneer een jongere daar niet aan deel wenst te nemen, wordt hij dus in feite dubbel gestraft.

Het effect van straffen
Wetenschappelijk onderzoekI. Weijers, K. Hepping & M. Kampijon, Jeugdige veelplegers, Amsterdam: SWP 2010, p. 62. heeft aangetoond dat het straffen van criminele jongeren niet altijd zorgt voor een blijvende gedragsverandering. Straffen zouden pas zinvol zijn wanneer deze onvermijdelijk, consistent en onmiddelijk zijn. Bovendien zouden ze begrijpelijk moeten zijn en voldoende intensief om ook daadwerkelijk als straf ervaren te worden. Straffen moeten daarbij in het teken staan van afkeuring van negatief en beloning van positief gedrag. Daarnaast is aangetoondD. Dölling e.a., ‘Is deterrence effective? Results of a meta-analysis of punishment’, European Journal on Criminal Policy and Research 2009, p. 201-224. dat de dreiging van straf ook niet altijd een preventieve werking heeft. Daar waar een dergelijke dreiging nog effect heeft bij kleine overtredingen, blijkt de dreiging van de doodstraf geen afschrikwekkende functie te hebben. Naast het feit dat is aangetoond dat straffen niet altijd zinvol is, kan het zelfs schadelijk zijn voor jongeren. Zo heeft onderzoekG.L. Cohen & M.J. Prinstein, ‘Peer contagion of aggression and health risk behavior among adolescent males: An experimental investigation of effects on public conduct and private attitudes’, Child Development 2006, p. 967-983. aangetoond dat jongeren het gedrag van populaire leeftijdsgenoten makkelijk over kunnen nemen. Ze kunnen elkaar bijvoorbeeld tips geven over hoe je een bepaald delict kunt plegen. Wanneer je probleemjongeren van ongeveer dezelfde leeftijd bij elkaar zet, of dat nou op een heropvoedingskamp is of in een gevangenis, loop je dus het risico dat je het probleem alleen maar groter maakt.

Verplichte heropvoeding
Niet alleen het pedagogische vraagstuk over het effect van straffen is relevant. Een apart vraagstuk dat het voorstel van Bolhaar oplevert, betreft het nut van verplichte heropvoeding. De effectiviteit van een behandeling voor jonge draaideurcriminelen hangt samen met een breed scala aan factoren. Eén van deze factoren is de wil om te veranderenC.J. Garrett, ‘Effects of residential treatment on adjudicated delinquents: a meta-analysis’, Journal of Research in Crime and Delinquency 1985, p. 287-308. . Wanneer een jongere zelf niet wil veranderen of geen vertrouwen heeft in zijn behandeling, bestaat er een grotere kans dat de behandeling niet het gewenste effect zal hebben dan wanneer de jongere wél meewerkt. Het verplichten tot heropvoeding wanneer een jongere zelf niet mee wil werken lijkt dus weinig zinvol.

Ervaringen met verplichte heropvoeding
De geschiedenis leert ons dat heropvoeding ook de nodige ethische problemen met zich brengt. Hoe moet je immers met deze probleemkinderen omgaan? Moet de nadruk liggen op straffen of behandelen? Aan het eind van de negentiende eeuw waren zogenaamde ‘verbeterhuizen’ in opkomst, waar kinderen vaak tot hun achttiende moesten verblijven wanneer een rechter hen hiertoe had veroordeeld. Op papier waren deze verbeterhuizen geen strafkampen. Zo zouden lijfstraffen ontbreken. GetuigenverslagenP.C.M. Bakker, J.M.A. Noordman & M. Rietveld-van Wingerden, Vijf eeuwen opvoeden in Nederland: idee en praktijk 1500-2000, Assen: Koninklijke Van Gorcum 2010, p. 428-439. schetsen echter een heel ander beeld. Kinderen ervaarden hun verblijf vaak als straf met een streng regime. Pedagogisch geschoold personeel was bovendien nauwelijks aanwezig. Eenzelfde situatie heeft zich voorgedaan bij de inmiddels gesloten Glen Mills SchoolK.A. Beijersbergen & B.S.J. Wartna, Recidivemeting Glen Mills: De uitstroomresultaten van de Glen Mills School in termen van strafrechtelijke recidive, Den Haag: WODC 2007, p. 1.. Hier werden normaal begaafde jongens vanaf veertien jaar begeleid en behandeld, nadat ze in groepsverband delinquent gedrag hadden vertoond. Deze begeleiding en behandeling vindt plaats naar een Amerikaans model, waarbij de groepsstructuur binnen de school hiërarchisch is opgebouwd. Naleven van regels en vertonen van positief gedrag leidt tot statusverhoging. Naar aanleiding van diverse meldingen over misstanden heeft de Inspectie jeugdzorg dan ook onderzoekVeiligheid binnen de Glen Mills School: Onderzoek naar de Glen Mills School, onderdeel van de Hoenderloo Groep (rapport van december 2007), Utrecht: Inspectie jeugdzorg en Inspectie van het onderwijs 2007. verricht naar deze instelling. Hieruit blijkt dat de hiërarchische structuur erg machtsgevoelig is. Voor medewerkers, die de meeste macht hebben, is het moeilijk gebleken om hun macht niet te misbruiken. Daar komt nog eens bij dat de Glen Mills School tegenvallende recidivecijfers kent. De algemene recidive onder jongeren die het programma van de Glen Mills School hebben afgerond ligt hoger dan onder jongeren die een programma binnen een justitiële jeugdbehandelinrichting hebben afgerond. De problematiek van de jongeren op de Glen Mills School was echter zwaarder. Wanneer dit meegenomen wordt, blijkt de recidive niet hoger of lager dan verwacht mocht worden.

Behandelprogramma’s
Herman Bolhaar blijft vaag over wat heropvoeding in zijn beleving concreet zou moeten inhouden. Zo geeft hij toe dat er nog geen interventieprogramma’s bestaan die de jongeren zouden moeten gaan volgen. Het opstellen van behandelprogramma’s zou tot de nodige problemen kunnen leiden. Jeugdige draaideurcriminelen vormen immers een heterogene groep jongeren. Zo verschillen zij in het soort delict dat ze hebben gepleegd, maar ook qua persoonlijkheid en persoonlijke achtergrond zullen de jongeren verschillend zijn. Voor iedere jongere zal er dus een op maat gesneden behandelprogramma opgesteld moeten worden, wil de behandeling kans van slagen hebben. Het opstellen van een individueel behandelplan wordt echter bemoeilijkt door het feit dat veel behandelingen nog onvoldoende wetenschappelijke onderbouwd zijn. Veel onderzoeken naar de effectiviteiten van behandelingen worden in de Verenigde Staten uitgevoerd en het is maar de vraagR. Loeber, N.W. Slot & J.A. Sergeant, Ernstige en gewelddadige jeugddelinquentie: Omvang, oorzaken en interventies, Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum 2001, p. 362. in hoeverre deze resultaten ook voor de Nederlandse situatie opgaan. De Verenigde Staten en Nederland kennen een eigen cultuur, waardoor de effectiviteit van een behandeling in het ene land geen garantie vormt voor effectiviteit in een ander land. Bovendien wordt effectiviteit van een behandeling veelal gemeten onder grote groepen, waardoor nauwelijks differentiatie naar persoonlijke kenmerkenZie bijvoorbeeld S.M. Tarolla e.a., ‘Understanding and treating juvenile offenders: A review of current knowledge and future directions’, Aggression and Violent Behavior 2002, p. 125-143. plaatsvindt. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat een bepaald programma positief werkt voor jongeren die zijn opgegroeid in een hecht gezin waarin familieleden veel contact met elkaar hebben, terwijl het geen enkel effect heeft op jongeren van wie de ouders op het punt staan te scheiden en dagelijks ruzie maken om de kleinste dingen.

Alternatieven
Naast het veroordelen van jeugddelinquenten tot een gevangenisstraf of verplichte heropvoeding zijn tal van alternatieve mogelijkheden aan te wijzen, die al dan niet in combinatie met een vrijheidsbeperkende straf opgelegd kunnen worden. Met name in de Verenigde Staten wordt hier veel mee geëxperimenteerd. Zo blijkt uit Amerikaans onderzoekP. Chamberlain & J. Reid, ‘Comparison of two community alternatives to incarceration for chronic juvenile offenders’, Journal of Consulting and Clinical Psychology 1998, p. 624-633. dat het opvangen van veelplegende jongeren in pleeggezinnen zorgt voor lagere recidivecijfers dan een vrijheidsbenemende straf. Deze pleeggezinnen worden zorgvuldig geselecteerd en goed getraind, zodat zij de jongeren kunnen helpen bij het ontwikkelen van vaardigheden, het vermijden van contacten met andere delinquente jongeren en het stimuleren van contacten met niet-delinquente leeftijdsgenoten. Doordat de delinquente jongeren voor een periode van zes tot negen maanden uit hun vertrouwde omgeving gehaald worden, kent deze sanctie een bestraffend element. Toch neemt het probleemgedrag van deze jongeren af, aangezien ze omringd worden met voorbeelden van positief gedrag. Een andere alternatieve sanctie is het verplicht volgen van de zogenaamde multisysteemtherapieZie bijvoorbeeld N.J. Baas, Wegen naar het rechte pad: Strafrechtelijke interventies voor delinquente jongeren, inclusief verplichte nazorg, en naar het effect van internventies die zich voor een strafrechtelijk kader zouden kunnen lenen, alsmede naar interventiecondities die dat effect beïnvloeden, Den Haag: Justitie, WODC 2005, p. 52-55.. Deze therapie kent het uitgangspunt dat delinquent gedrag van jongeren bepaald wordt door invloeden uit persoonskenmerken van de jongere zelf, zijn gezin, zijn vrienden, zijn school en de buurt waar hij opgroeit. Daarom focust de therapie niet alleen op de jongere zelf, maar op al deze invloeden. Zo kan het gezin leren om de onderlinge communicatie te verbeteren en de leerkracht op school kan betrokken worden door hem of haar te vragen de jongere bij sociale activiteiten op school te betrekken. Doordat deze behandeling intensief en veelomvattend is, heeft deze behandeling een gunstig effect op recidive. Het feit dat deze behandeling niet afhankelijk is van de medewerking van de jongere vormt bovendien een groot voordeel. Je kunt immers de omgevingsinvloeden ook aanpakken zonder de medewerking van de jongere zelf. Helaas geldt echter voor beide alternatieven dat deze niet of nauwelijks in Nederland zijn onderzocht op effectiviteit.

Conclusies
Aanhangers van harde straffen voor jonge draaideurcriminelen zullen ongetwijfeld hun oren gespitst hebben toen Herman Bolhaar het plan openbaarde om deze jongeren te verplichten tot heropvoeding. Jammer genoeg is het op dit moment nog onduidelijk hoe hij denkt over de concrete invulling van deze verplichte heropvoeding. Zoals ik heb aangegeven is het niet altijd goed om delinquente jongeren hard te straffen. Door deze jongeren samen op te sluiten loop je het risico dat zij elkaar ‘besmetten’ met grensoverschrijdend gedrag, bijvoorbeeld doordat ze elkaar van advies kunnen voorzien. Ook heeft het verleden ons geleerd dat verplichte heropvoeding voor de nodige problemen en discussies zorgt. Zowel in de verbeterhuizen in de negentiende eeuw als bij de Glen Mills School van de twintigste eeuw zijn misstanden aan het licht gekomen. Bovendien is gebleken dat de Glen Mills School tegenvallende recidivecijfers kent. Daarnaast is het moeilijk om één behandelprogramma op te stellen voor alle delinquente jongeren, omdat deze groep zeer heterogeen is. Het zou beter zijn om een op maat gesneden programma op te stellen, maar dit wordt helaas bemoeilijkt door het feit dat veel behandelprogramma’s onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. Tot slot heb ik twee alternatieven gegeven die in Nederland niet of nauwelijks onderzocht zijn, maar die in de Verenigde Staten goede resultaten behalen voor wat betreft het terugdringen recidivecijfers. Herman Bolhaar focust op harde straffen en verplichte heropvoeding, terwijl deze straffen in het verleden discutabel zijn gebleken. Mijns inziens kan hij beter pleiten voor nader onderzoek naar alternatieve sancties die in het buitenland effectief zijn gebleken.