Toerekeningsvatbaarheid in het alledaagse leven

Jan Bransen
prof. dr. J.A.M. Bransen is hoogleraar filosofie van de gedragswetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Wat gebeurt er in een anonieme en pluriforme samenleving met de taal die wij in het alledaagse leven gewend zijn te gebruiken om elkaar tot de orde te roepen? Deze vraag stelt de auteur in deze bijdrage aan de orde. De bijdrage is een voorpublicatie van enkele passages uit een boek voor een breed publiek waaraan hij momenteel werkt. In dit boek bespreekt Bransen de consequenties van een dertiental denkpatronen waaraan wij verknocht zijn, ook al hebben we daar niet veel goede redenen voor. Eén van die denkpatronen cirkelt rondom de vooronderstelling dat er objectieve feiten zijn aangaande de toerekeningsvatbaarheid van verdachten.

Wie heeft de schuld?

Er hoeft maar dít te gebeuren en de hele natie staat op zijn achterste benen en iedereen begint hysterisch te vragen naar de schuldige. Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wie heeft dit gedaan? Had dit niet voorkomen kunnen worden? Welke overheidsdienst heeft hier zitten slapen?
Het is een begrijpelijke reactie. Hij past bij de soort wezens die we zijn, bij de praatjes die we over elkaar en onszelf opgetuigd hebben, bij onze gemeenschappelijke taal, de taal waarin wij wonen, waarin wij ons leven leven. Het begint al vroeg, als je als kruipende baby leert om van de stereo en de koffie van je vader af te blijven. Het krijgt meer vorm als je als peuter leert hoe je dat moet doen: je controle uitbreiden over het gedrag van anderen. Je merkt dat je welkom bent in de wereld van de sociale interactie als je met je mooiste glimlach voor elkaar krijgt dat je opa nog eens opnieuw een boekje gaat voorlezen. Langzaam ga je beseffen dat jij niet alleen het gedrag van anderen kunt manipuleren, maar dat zij jouw gedrag kunnen controleren en je met tegenzin dingen kunnen laten doen die je niet wilt.

Het is een prachtig mechanisme, die taal van schuld en boete, die taal van verantwoordelijkheid, van geldige en ongeldige excuses. Maar het is ook een mechanisme waarover je gemakkelijk de grip kwijt raakt, een mechanisme dat zich aan jouw controle onttrekt, vooral als je met superpersoonlijke grootheden te maken krijgt, met anonieme overheden, met regimes, met bureaucratie en met de publieke opinie in een complexe verzorgingsstaat als de onze. Laat ik dat eens uitleggen.

Waar mensen samenwerken is er sprake van het wederzijds controleren van elkaars gedrag. 'Controleren' klinkt hierbij misschien een tikkeltje onaardig. Misschien klinkt het beter als je zegt dat mensen altijd als ze samenwerken met elkaar rekening houden en op elkaar kunnen rekenen. Maar dat legt wat mij betreft toch net een beetje te veel de verantwoordelijkheid bij de ander. Alsof jij alleen maar braaf en vriendelijk verwacht dat je op de ander kunt rekenen omdat hij rekening met jou houdt. Maar zo werkt het niet, precies omdat jij met jouw verwachtingen wel degelijk manipulatief bezig bent. Of je dat nu wilt of niet.

Dat is wat nu eenmaal gebeurt als mensen over en weer verwachtingen hebben ten aanzien van elkaars gedrag. Die verwachtingen maken dat de ander in zijn gedrag beknot wordt, dat zijn gedrag een functie wordt van jouw verwachtingen. Impliciet of expliciet. Onze verwachtingen oefenen altijd invloed uit. Daar is niets mis mee. Het juiste wapen, als je het zo wilt noemen, is om ook zélf verwachtingen te hebben ten aanzien van het gedrag van anderen. Want het is met verwachtingen dat je zelf controle krijgt over het gedrag van anderen.

Eén van de belangrijkste effecten van wederzijdse verwachtingen is het organiseren van gedrag dat onopgemerkt en vanzelfsprekend kan plaatsvinden. Dat wat we verwachten, behoeft geen aandacht. De automatische piloot die de ervaren chauffeur met groot gemak zijn auto laat besturen, neemt ook heel veel werk van ons over in de sociale interactie. In de supermarkt lopen wij met ons winkelwagentje nooit tegen andere mensen op, en we zeggen beleefd ‘sorry’ als dat onverhoopt toch een keer mocht gebeuren. Wij wachten vanzelf eerlijk op onze beurt bij het brood of de vleeswaren, snijden met ons wagentje geen andere klanten af en geven netjes en in de goede volgorde antwoord op al die onnozele vragen die de kassameisjes aan ons moeten stellen.

Een belangrijk onderdeel van deze praktijk van wederzijdse verwachtingen is de praktijk van excuses. Omdat je weet wat de ander van jou verwacht, weet je wanneer een excuus op zijn plaats is. Je weet ook welke excuses geldig zijn en welke niet. Dat is geen wet van Meden en Perzen en het is ook geen kennis die expliciet beschreven is. Er zijn grijze gebieden waarin wij tastend, creatief en met sympathie onze weg zullen moeten proberen te vinden. Maar behalve dat grijs is er heel veel helder zwart en wit. Je hebt als kind van zeven geen goed excuus als je op de bank in je broek plast omdat er zo'n leuke reclame op tv is. En je hebt als student van twintig geen goed excuus om in de collegezaal te praten, omdat je juist zo'n leuk bericht op je mobieltje ontvangt.

Daar waar de wederzijdse verwachtingen duidelijk zijn en waar je in helder zwart en wit een lijst op zou kunnen stellen van geldige excuses, daar is er geen probleem met de taal van verantwoordelijkheid. Als mensen zich niet aan onze verwachtingen houden, schrijven wij hun gedachteloos de verantwoordelijkheid toe om voor een goed en geldig excuus te zorgen. Als wij ons daarentegen niet aan hun verwachtingen houden, nemen we gedachteloos de verantwoordelijkheid op ons om voor een excuus te zorgen. Wij schrijven elkaar ook de verantwoordelijkheid toe om naar een excuus te vragen als wij niet aan elkaars verwachtingen voldoen. Dit taalspel van verantwoordelijkheid nemen en toeschrijven is voor een belangrijk deel de smeerolie van onze samenleving. Wij willen elkaars gedrag begrijpen en als wij dat niet op de automatische piloot kunnen, rekenen we er op dat we extra uitleg mogen vragen en zullen krijgen.

Deze alledaagse praktijk functioneert prima in kleinschalige verbanden waar mensen samen de kans hebben, krijgen en nemen om met elkaar de grijze gebieden te verkennen. Dat is bijvoorbeeld wat je ziet gebeuren in de huiselijke kring, in vriendschappen, in kleine bedrijven, enzovoort. In die kleine verbanden, even los beschouwd van de maatschappelijke context waarin zij zich natuurlijk altijd bevinden, is er helemaal niets mis met 'polderen'. Het spreekt voor zich dat je die grijze gebieden met elkaar, met respect en met sympathie verkent op het moment dat je daar samen in verzeild raakt. Zodra je allebei beseft dat jullie in een grijs gebied terecht zijn gekomen, dat jullie wederzijdse verwachtingen niet sporen en jullie daar allebei in je handelen door belemmerd wordt, zullen jullie als vanzelf de kans nemen je verwachtingen uit te spreken, te onderbouwen en te zoeken naar manieren om ze beter op elkaar af te stemmen. Zo werkt dat gewoon in de alledaagse praktijk. Je kunt denken dat toch wel duidelijk is dat je vrijdagavond graag met je vriendinnen gaat bowlen. En je man kan denken dat toch wel duidelijk is dat je dat deze vrijdag niet zult doen, omdat jullie precies zeven jaar getrouwd zijn. Maar als hij zich dan in de datum vergist heeft (het is pas over een maand!), moet je daar met gevoel voor humor samen toch heel goed uit kunnen komen.

In de huidige samenleving is het echter verdomd lastig geworden verstandig om te gaan met die grijze gebieden. Wat kun je nog verwachten, en van wie, als je met elkaar in het publieke domein vastloopt omdat die publieke ruimte zo complex, pluriform, globaal en anoniem is geworden? Het mechanisme van schuld en boete, de taal van verantwoordelijkheid, is danig op drift geraakt. De rechterlijke macht weet zich geen raad; de wetenschap ook niet.

Wat als je niet aanspreekbaar bent

Als je even heel dom begint, krijg je snel genoeg in de gaten waar het interessant wordt als je iemand met jouw verwachtingen niet aan kunt spreken. Je kunt niet verwachten dat een fles champagne naar je toe komt als je hem wenkt. Het helpt ook niet als je hem netjes aanspreekt, als je het in het Frans probeert of als je heel hard roept. Een fles champagne doet gewoon niet mee aan onze sociale interactie. Maar als je liever niet hebt dat een Duitser je met een groot mes achterna zit, dan doet het er niet toe als je fluistert, of Frans spreekt, of vloekt, of alleen maar gebaart dat je het niets vindt. Anderen met messen bedreigen hoort er gewoon niet bij, bij onze sociale interactie. Stel nu dat een Chinees uitziende kleuter op Schiphol in de rij bij de paspoortcontrole zich aan jouw been vastklampt. Hoe je ook probeert, ze wil niet meer loslaten. Je ziet nergens een volwassene die bij het kind lijkt te horen. Het kind lijkt niet te begrijpen wat jij zegt. Je hebt geen idee welke taal het kind spreekt. De douanebeambte kijkt je aan en vraagt je waar het paspoort van dat kind is. Het kind is niet aanspreekbaar, althans niet in deze situatie. Haar verzorgers zullen haar vast wel aan kunnen spreken op haar gedrag als zij bijvoorbeeld met rijst begint te smijten, maar hier, in deze situatie... Geen idee hoe je het zou kunnen doen. Die douanebeambte spreekt jou aan. Alsof jij verantwoordelijk bent voor dat kind. Onterecht. Als je hem dat uitgelegd krijgt en als hij dat gelooft, zal hij het met dat kind moeten proberen. Zou hij weten hoe het moet? Hij heeft vast meer middelen tot zijn beschikking. Maar hij zal niet ver komen, misschien niet eens veel verder dan jij met die fles champagne.

De omweg via deze voorbeelden dient een doel. Ik wil dat je je even in alle ernst realiseert hoeveel geavanceerde vooronderstellingen er in feite al schuil gaan in de meest alledaagse vormen van sociale interactie. Al die vooronderstellingen fluiten hun deuntje mee, iedere keer als jij iemand op zijn verantwoordelijkheid aanspreekt. Dat hij aanspreekbaar is. Net als jij. Dat hij weet wat het betekent om aan iemands verwachtingen te voldoen. Dat hij weet wanneer een excuus nodig is. Dat hij begrijpt welk soort opmerkingen tellen als een excuus en welke niet.

In moderne rechtsstaten heeft het recht onder al deze vooronderstellingen een vangnet gehangen. Het is allemaal keurig, eenduidig en expliciet gearticuleerd in allerhande wetboeken. Natuurlijk is dat een groot goed. Het recht is een fantastische prestatie van de mensheid. En natuurlijk is dat recht belangrijk in de hedendaagse anonieme en pluriforme samenleving. Het heeft wat akelige randjes, zoals de uit Amerika overwaaiende gewoonte om jouw gefrustreerde verwachtingen direct voor het gerecht uit te willen vechten. Maar verder is het natuurlijk geweldig dat we met een grote innerlijke rust en met veel vertrouwen vreemden tegemoet kunnen treden in een onbekende omgeving. Het recht biedt ons in zulke situaties heel veel houvast.

Maar het recht zorgt ook voor een hele nieuwe manier om de grijze gebieden te verkennen. Dat doen we niet meer samen, op de tast, met sympathie en respect, maar gelukkig ook niet meer met vrees, met gevoelens van machteloosheid, in totale ontreddering. Het verkennen van de grijze gebieden laten we aan deskundigen over, rechtsgeleerden, die met deftige woorden heel precies en trefzeker opschrijven welke schulduitsluitingsgronden in het Nederlandse recht erkend worden. En waar het echt moeilijk wordt, als het bijvoorbeeld gaat over toerekeningsvatbaarheid, zoals juristen aanspreekbaarheid noemen, dan vragen ze het advies van getuige-deskundigen, zoals een psychiater. Die krijgt dan de fraaie taak objectief vast te stellen of iemand op het moment van het delict aanspreekbaar was. Die psychiater is het stadium van de champagnefles en de Chinese kleuter natuurlijk al lang voorbij. Het zijn de dolle Duitsers met grote messen waar hij zich meestal over mag buigen. Is zo iemand aanspreekbaar op het moment van het delict?

Hoe doet een psychiater dat? Hoe bepaal je of iemand aanspreekbaar is? Bekijk eerst eens wat de vooronderstellingen zijn waaronder de psychiater zijn werk moet doen. Ten eerste zal hij de relationele eigenschap ‘aanspreekbaar zijn’ in componenten moeten zien op te breken. Sommige van die componenten zal hij moeten kunnen toeschrijven aan de verdachte, andere aan de omstandigheden. Vervolgens zal hij moeten kunnen vaststellen dat de beslissende component een niet-relationele eigenschap van de verdachte is, een eigenschap die deze verdachte op zichzelf beschouwd heeft, of althans op het moment van het delict had, en dat daarbij de eigenschappen van de omgeving irrelevant waren. En tenslotte moet de psychiater dit allemaal kunnen vaststellen als een onbetrokken, neutrale, objectieve toeschouwer. Van achter een one-way screen, als het ware, om het een beetje onvriendelijk te zeggen. Laat ik deze vooronderstellingen eens rustig langslopen.

Interessante eigenschappen van mensen zijn vaak relationeel van aard. Het zijn eigenschappen die ze niet op zichzelf hebben, maar in relatie tot iets anders. Een simpel voorbeeld is ‘minder wegen dan Jan’. Mijn buurvrouw, bijvoorbeeld, heeft die eigenschap. Zij weegt minder dan ik. Maar als ik zou proberen af te vallen is het goed mogelijk dat mijn buurvrouw die eigenschap kwijtraakt. Zij krijgt er een nieuwe eigenschap voor terug: ‘zwaarder zijn dan Jan’. Het interessante aan dergelijke relationele eigenschappen is dat je ze nooit zomaar onvoorwaardelijk op jezelf beschouwd kunt hebben. Je kunt zo’n eigenschap kwijtraken, of juist krijgen, terwijl je zelf in het geheel niet verandert. Als een wetenschapper mijn buurvrouw gedurende een bepaalde periode in quarantaine zou nemen en er heel nauwkeurig voor zou zorgen dat zij precies op gewicht blijft – geen grammetje erbij of eraf – dan zou zij toch kunnen veranderen van ‘lichter dan Jan’ in ‘zwaarder dan Jan’ als ik in die periode met succes mijn dieet volg. Zulke relationele eigenschappen zijn metafysisch beschouwd hoogst verwonderlijk en zijn wetenschappelijk beschouwd hoogst onbetrouwbaar. Je moet er toch niet aan denken dat je thuis onder je matras in een oude sok een fortuin bewaart en dat er plotsklaps ergens in de wereld iets gebeurt waardoor jouw fortuin ineens niets meer waard is. Dat moest verboden worden! In zo’n universum wil je niet wonen.

Er is wel iets aan te doen, zou je denken. Vroeger gebruikten de kruideniers immers inderdaad contragewichten op hun weegschaal waardoor een kilo bruine bonen in feite evenveel woog als het contragewicht van een kilo. Een slimme kruidenier kon natuurlijk contragewichten gebruiken die minder wogen dan het gewicht dat er op stond. Maar zo primitief gaat het tegenwoordig al lang niet meer. Als de buurvrouw zich wil wegen doet zij dat al lang niet meer op een weegschaal waarbij ik als contragewicht moet komen opdraven. ‘Even zwaar als Jan’ is al lang vervangen door ‘77 kilo’ (haha). Ook dat blijft op één of andere manier een relationele eigenschap, maar voor die kilo’s hebben wetenschappers tegenwoordig wel akelig stabiele en nauwkeurige ijkmethoden voorhanden.

Dat lijkt een goede procedure. Vervang relationele eigenschappen door eigenschappen die feitelijk niet-relationeel zijn omdat ze uitgedrukt kunnen worden met behulp van een objectieve, onveranderlijke maat. Maar ja, doe dat eens met een eigenschap als vervelend. Stel dat je een strontvervelend kind in jouw klas hebt zitten. Stel dat het ook nog eens een heel ad rem en eigenwijs gymnasiumpikkie is dat je quasi-beleefd corrigeert: “Nee hoor, ik verveel me niet. Maar blijkbaar verveel ik u en dat zegt misschien meer over u dan over mij.” Wat moet je daar nou mee? En het houdt niet op bij vervelend. Humoristisch, doortastend, zorgzaam, kwaadaardig, onredelijk, enzovoort. De lijst van menselijke eigenschappen die relationeel van aard zijn is lang. En ontoerekeningsvatbaar lijkt er ook op te staan.

Je zou deze eigenschappen in componenten kunnen proberen op te delen waarbij je één component aan het object kunt toeschrijven en één aan het subject. In de lokale context van jouw klas gaat dit vanzelf. De leerling verveelt jou en dat komt voor een deel door de verwachtingen die jij van hem hebt en voor een deel door zijn gedrag. Maar het gaat om zijn gedrag. Jouw verwachtingen zijn normaal en die leerling is dus vervelend. Dit is natuurlijk niet altijd zo simpel. In de grijze gebieden wordt het lastig waarbij het grijs van die gebieden, interessant genoeg, zelf ook een relationele eigenschap is.

De psychiater hanteert dezelfde strategie. ‘Ontoerekeningsvatbaar’ is een relationele eigenschap die opgedeeld kan worden in verschillende componenten. Sommige van deze componenten kunnen toegeschreven worden aan de verdachte, sommige aan de omgeving. Er kunnen immers omgevingsfactoren zijn die het moeilijk maken te begrijpen welke precies de redenen zijn waardoor je je aangesproken hoort te voelen. Denk aan de verwarring die jou in zijn greep kan krijgen als je verliefd wordt op een leerling van jou die als een blok voor jou valt en zich onverbloemd aan haar verliefdheid overgeeft. Of denk aan de bedreiging die je voelt als je door een inbreker belaagd wordt en een zaklamp in zijn hand om onduidelijke redenen aanziet voor een revolver. Naast deze omgevingsfactoren die iemand verminderd toerekeningsvatbaar kunnen maken, heeft de psychiater een component nodig die hij aan de verdachte moet kunnen toekennen en die deze verdachte, abstract en op zichzelf beschouwd, al dan niet vatbaar maakt voor redenen. Deze component maakt mensen aanspreekbaar. Maar wat voor niet-relationele eigenschap zou dat kunnen zijn en hoe zouden we die op een objectieve manier kunnen ijken, zoals we dat met ons gewicht in kilo’s kunnen doen?

Een onbetrokken perspectief?

Je hebt helemaal geen objectief vaststelbare vrije wil nodig als je bijvoorbeeld met je vriendin in een restaurantje zit en een hoofdschotel van de menukaart kiest. Als je er met je hoofd niet bij bent, de kaart nauwelijks ingekeken hebt, uit je gewone doen bent en onder druk van de serveerster zomaar een Thaise omelet kiest, doe je dat misschien niet ‘willens en wetens’.

Stel nu dat er van achter een one-way screen iemand jou de hele dag gadegeslagen heeft. Hij zag je je werk doen, naar de stad fietsen, de menukaart pakken. Misschien heeft hij je zien wegstaren, gezien dat je in gedachten verzonken was. Stel dat hij goed oplet en probeert te begrijpen waarom je doet wat je doet. Stel dat hij – zoals vroeger jouw geweten – aan het eind van de dag van achter dat scherm tevoorschijn zou komen, als je op je blote knietjes voor jouw bed nadenkt over wat er die dag allemaal misgegaan is. Zou hij dan gewoon weten hoe het zit, hoe jij in elkaar zit, welke de mechanismen zijn geweest die aan jouw gedrag ten grondslag hebben gelegen? Zou hij als een neutrale, objectieve wetenschapper de oorzaken van jouw gedrag aan kunnen wijzen? Of zou hij je vragen stellen, willen weten waarom je deed wat je deed, waarom je voorhanden redenen over het hoofd gezien hebt, als een vriendelijke, oplettende, misschien ook strenge engelbewaarder, die veel begrip voor je heeft maar zo hier en daar ook vindt dat je beter had moeten weten en anders had moeten doen? Hoeveel is er te zien van achter een one-way screen? Hoe goed moet je iemand kennen om te kunnen zeggen wat hem of haar beweegt? En hoeveel zul je van iemand gaan houden, of hem juist gaan haten, als je zijn beweegredenen verkent? Kun je dat, van achter een one-way screen? Wat doet zo’n scherm eigenlijk met jou, als jij degene bent die er achter kruipt?

Het one-way screen is natuurlijk maar een metafoor. Ik probeer er mee uit te drukken dat een getuige-deskundige gepaste afstand moet bewaren tot de verdachte van wie hij moet vaststellen of deze toerekeningsvatbaar is of niet. Wat voor afstand is dat? Het gaat natuurlijk niet om letterlijke, fysieke afstand. Probeer op 500 meter afstand maar eens vast te stellen hoe zwaar iemand is, of wat de kleur is van zijn haar. Kansloos. Maar het kan natuurlijk ook niet om culturele of sociale afstand gaan. Een bejaarde man die zijn leven lang in een gehucht op Groenland heeft gewoond heeft echt geen schijn van kans om beter te begrijpen dan jouw vriendin of jij al dan niet in je gewone doen bent als je in een restaurantje een Thaise omelet bestelt. Wat dan? Gaat het om emotionele afstand? Gaat het om een afstand die een onbetrokken, neutrale en rechtvaardige weergave garandeert van de mate waarin de verdachte door voorhanden redenen aangesproken kan worden? Het lijkt er op. Het scherm moet emotionele betrokkenheid wegfilteren. Het gaat om de afstand die nodig is om een eventuele vertekening van de feiten te vermijden die toegerekend zou moeten worden aan de getuige-deskundige achter het scherm in plaats van aan de verdachte voor het scherm.

Hier gaapt een probleem. ‘Aanspreekbaar zijn’ is onmiskenbaar een relationele eigenschap, een eigenschap waarin degene die aanspreekt en degene die aangesproken wordt elkaar ontmoeten. Natuurlijk kun je proberen die eigenschap in twee componenten op te delen. En in de zwarte en witte gebieden levert dat geen enkel probleem op. De getuige-deskundige komt er echter pas bij als we vastlopen in een grijs gebied, daar waar het echt moeilijk wordt die componenten te scheiden. In kleinschalige verbanden verkennen we dat grijs normaal gesproken met elkaar om te zien of we er samen uit kunnen komen. In zulke kringen probeer je er uit te komen door de boel juist niet op te breken in diverse componenten, door juist niet de afstand te zoeken, maar elkaars nabijheid. Dat wil zeggen, als je twijfelt of iemand (nog) aanspreekbaar is, trek je alle registers open en probeer je in alle toonaarden te variëren om voor elkaar te krijgen dat je de aandacht van de betrokkene alsnog vangt om hem te wijzen op zijn verantwoordelijkheden. Daar horen mooie alledaagse woorden bij: ‘zo goed en zo kwaad als mogelijk’, ‘zo niet goedschiks, dan maar kwaadschiks’. Dat engagement hoort erbij. Je spreekt iemand aan zo goed en zo kwaad als mogelijk, omdat je vindt dat hij aanspreekbaar behoort te zijn. Dat impliceert precies jouw morele emoties, jouw terechte verontwaardiging, jouw terechte vrees, jouw terechte bekommernis.

Hoe doe je dat als getuige-deskundige? Bekijk je achter dat one-way screen hoe de verdachte reageert op de pogingen van de anderen in het scenario om die verdachte bij de les te trekken? Maar hoe scheid je dan de diverse componenten? Hoe wordt een jarenlang mishandelde en gekleineerde vrouw door haar man aangesproken? Hoe kun je zien of zij in die omstandigheden nog vatbaar is voor redenen? Welke redenen? Of kom je van achter dat scherm als getuige-deskundige te voorschijn om de verdachte op zijn gedrag aan te spreken? Maar als dat zo is, hoe lukt het je dan nog om die relationele eigenschap, dat ‘aanspreekbaar zijn’ dat tussen jullie in hangt, te splitsen in twee componenten waarvan er eentje objectief en neutraal toegeschreven kan worden aan de verdachte op zichzelf beschouwd?

Ik trek een conclusie waarvoor ik in deze tekst geen sluitende redenering heb gegeven: ‘toerekeningsvatbaarheid’ is helemaal geen objectief vaststelbare, niet-relationele eigenschap is. Ze kan dat niet zijn. ‘Toerekeningsvatbaarheid’ is een eigenschap die wij elkaar noodzakelijk toeschrijven in onze poging met elkaar samen te leven. Soms geven we die poging op. Dat doen we niet gauw. Maar soms zien we er geen gat meer in. Echt niet. Dat is bitter.

Het is flauw en laf om op zo’n moment onze toevlucht te nemen tot zogenaamd objectieve feiten die onszelf en ons engagement buitenspel houden. De getuige-deskundige stelt niets vast. Hij stelt iets voor, namelijk dat het zonde van onze tijd, onze energie en onze aandacht is om deze verdachte op dit moment met ons mee te laten doen. Het is als vroeger op het schoolplein, dat je soms van een kind niet wilt dat hij meespeelt omdat hij het spel verpest. Dat is hard. Keihard. Maar het is behalve hard misschien ook wel gemeen als je je daarbij probeert te verbergen achter een one-way screen, achter een zogenaamde waarheid die je op een rechtvaardige, neutrale, objectieve en onbetrokken manier vast hebt kunnen stellen. Het ligt niet aan ons. Het ligt aan hem.

Bibliografische gegevens

J. Bransen, Laat je niets wijsmaken. Over de macht van experts en de kracht van gezond verstand, Zoetermeer: Klement 2013.