De ‘exceptio artis’ in het Nederlandse strafrecht

Jos Joosten
prof. dr. J.H.Th. Joosten is hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Toen ik nog poëzierecensent was voor de Vlaamse krant ‘De Standaard’ kwam ik op een avond laat, alleen, thuis. Op mijn antwoordapparaat - het was in de tijd vóór GSM's en e-mails - stond een woedend bericht. De beller in kwestie, zelf een tamelijk bekende journalist, was tot op het bot beledigd door mijn die week gepubliceerde nogal negatieve recensie over een onlangs verschenen dichtbundel van zijn vader. Zéér boos was hij en hij meldde onder meer dreigend dat wij elkaar snel zouden tegenkomen, dat hij me wist te vinden en dat die ontmoeting voor mij geen prettige zou zijn. 's Avonds laat alleen thuis zijn dat geen opwekkende berichten. Ik belde een goede vriend, een uitgever die hem kende, en hij wist als meest troostende reactie: "Ach Jos, die man is knettergek, dat weet iedereen". Op een of andere manier was dat, 's mans woedende woorden op mijn antwoordapparaat indachtig, niet de geruststelling die ik vlak voor het slapengaan zocht. Ik belde met een collega-criticus en die zei, evident wat jaloersig: "Nou, hij neemt je in elk geval wél serieus!"

Die laatste opmerking heeft volgens mij op meerdere manieren te maken met het thema waarover deze bijdrage handelt. Allereerst zien we hier een voor onze hedendaagse begrippen niet zo gangbare overschrijding van de grens tussen woord en daad. In het literaire discours achten wij het ook nu nog doorgaans gebruikelijk dat een literaire discussie met woorden gevoerd wordt - anders gezegd: iemand op een andere manier dan verbaal te lijf gaan, is in het tijdperk van de autonome kunst niet gangbaar. De tweede kwestie: je schrijft natuurlijk ook literaire teksten omdat je iets teweeg wilt brengen. Wanneer dat dan ‘in het echt’ gebeurt, is dat deels erkenning voor het feit dat je kennelijk iets te zeggen hebt. Geen enkele schrijver die in Nederland met rechtsvervolging te maken heeft gehad, was daar louter en alleen treurig over. Ten slotte toont mijn voorbeeld precies op de plek waar het als vergelijking mank gaat, nóg een complicerende factor van het vraagstuk van literatuur en recht: een recensie is natuurlijk een non-fictionele tekst, waarbij men er probleemloos vanuit mag gaan dat de ‘ik’ - die inderdaad ook in mijn recensie optreedt - volledig gelijk gesteld mag worden aan de schrijver van de tekst, in dit geval de criticus.

Daarmee dient zich het echte cruciale punt aan met betrekking tot de verhouding literatuur en recht: in welke mate is de auteur van fictie verantwoordelijk voor meningen en uitspraken van zijn of haar personages? Hier betreed je een terrein, waarvan de complexiteit mooi geïllustreerd wordt met een kleine anekdote rond het in 2010 verschenen ‘Vinexvrouwen’ van Naima El Bezaz, een boek waarin zij een natuurgetrouw beeld lijkt te schetsen van haar eigen leven in een Hollandse Vinexwijk. Na verschijning ontstond beroering onder buurtbewoners die Bezaz' schetsen wat al te veel uit hun dagelijks leven gegrepen vonden. Een van hen kwam op een zeker moment, in alle staten, bij El Bezaz aan de voordeur. "Ik herken mij helemaal niet in de manier waarop u mij beschrijft", schreeuwde de man. Waarop El Bezaz antwoordde: "Dan snap ik niet zo goed wat uw probleem is."

We stuiten hier op een kwestie die in het merendeel van de rechtszaken rond Nederlandse literatuur centraal blijkt te staan en die je, generaliserend, zou kunnen verdelen in een professionele attitude versus een lekenhouding ten opzichte van literatuur. Anders gezegd: de, laat ons zeggen, literatuurwetenschappelijke, of poëticale, opvatting dat een tekst autonoom is en gehoorzaamt aan ‘eigen wetten’ - zoals dat vaak genoemd is en wat qua terminologie in dit verband veelzeggend mag heten - tegenover de opvatting van de al dan niet letterkundige leek, die leest wat er staat en zich - "en ongetwijfeld velen met mij", zoals de standaardfrase dan luidt - eenvoudigweg beledigd voelt.

Neerlandicus Klaus Beekman van de UvA en de Oldenburgse hoogleraar Nederlandse letterkunde Ralf Grüttemeier publiceerden in 2005 het overzichtswerk ‘De wet van de letter: literatuur en rechtspraak’. Zij laten zien dat in de meeste rechtszaken rond literatuur in Nederland de rechterlijke macht uitgaat de letterkunde als autonome vrijplaats. Zij spreken in hun conclusie zelfs van een juridische "welwillendheid in het recht ten opzichte van literatuur", die de hele twintigste en vooralsnog eenentwintigste eeuw bepalend was voor rechtspraak. Wat de casus die zij bespreken daarmee bewijzen, is dat de juridische opvattingen over de status van literatuur, al dan niet bewust, gelijke tred hield met de opvattingen in het literaire (en later ook literair-wetenschappelijke) veld. Beekman en Grüttemeier zijn voorzichtig met het leggen van die link, maar ik denk dat hun eigen materiaal veel aanleiding geeft tot rigider conclusies.

Dienaangaande verschil ik dan ook van mening met de Nijmeegse jurist (én literair auteur) Frans KustersF. Kusters, ‘Over botsingen context en perspectief’, TNTL 2007, p. 170. die in het literatuurwetenschappelijk tijdschrift TNTL juist deze, door Beekman en Grüttemeier zelfs nog voorzichtig geponeerde homologie tussen literaire wereld en juridische wereld, als onwaarschijnlijk verwerpt. Hij verwijt beide auteurs literaire maatstaven aan te leggen in juridische kwesties, en noemt hen "slachtoffer" van hun "eigen premisse waarin hun zogenaamd juridisch perspectief steeds voorrang verschuldigd is aan het bedenkelijk literair-theoretisch model dat zij de historische context noemen". Op mijn beurt geloof ik niet in het vacuüm dat Kusters lijkt te veronderstellen waarbinnen de Nederlandse rechtspraak de afgelopen eeuw zou hebben gefunctioneerd, zonder - bewuste of onbewuste - beïnvloeding van de bewegingen in het literaire veld. Kusters' verwijt dat Beekman en Grüttemeier slecht op de hoogte zijn van juridische kwesties kan, vrees ik, overigens ook omgekeerd worden. Er lijkt tussen professionele juristen en letterkundigen helaas wederzijds het nodige onbegrip. Neem ‘Strafrecht en literatuur’, het klassieke (en zeer verhelderende) artikel van Jaap de HulluJ. de Hullu, ‘Strafrecht en literatuur’, AA 1984-12, p. 753. over deze materie uit 1984. Zijn definitie van ‘literatuur’ (één van de twee componenten uit zijn titel!) geeft niet bepaald blijk van langdurige contemplatie op zijn object van onderzoek, als hij die definieert met "de in mijn ogen erg aardige omschrijving 'lectuur is optimistisch en loopt goed af, literatuur is pessimistisch en loopt slecht af'". En ronduit opmerkelijk in het verder juist zeer degelijke notenapparaat is de verklarende voetnoot bij deze passus: "Als ik me goed herinner, is deze omschrijving van Ton Anbeek". Overigens geeft De Hullu zelf aan dat zijn definitie niet echt op schokvast beton gefundeerd is.

Ten aanzien van de letterkunde kent Nederland al sinds begin negentiende eeuw een zeer liberale opstelling. Na het vertrek van de Fransen in 1813 bleef in Nederland de Code Pénal van kracht, waarin inzake kunstuitingen alleen een artikelK. Beekman & R. Grüttemeier, De wet van de letter. Literatuur en rechtspraak, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennip 2005, p. 62. opgenomen was dat gericht was tegen "toute exposition ou distribution de chansons, pamphlets, figures ou images contraires aux bonnes moeurs". Evident is dat de wetgever hier niet refereert aan letterkundige werken, maar het heeft over tekstsoorten in brede zin die makkelijk wijd verspreid konden worden onder brede lagen van de bevolking. Literatuur viel niet onder de bepaling. In Frankrijk zelf was dat al snel wel het geval: hier werd in 1819 de bepaling "ou autres écrits" toegevoegd, wat de grondslag kon worden voor de gerechtelijke vervolging van Flaubert en Baudelaire. In Nederland werd ‘literatuur’ ook geen doelwit in het nieuwe Wetboek van Strafrecht uit 1886. Maatgevend bleef de mate waarin men ongevraagd geconfronteerd kon worden met onwenselijke uitingen. De wetgever verbood slechts het verspreiden van onzedelijke "afbeeldingen en vliegende blaadjes", zo blijkt uit de als zeer liberaal (in klassieke zin) te klasseren overweging in de Memorie van ToelichtinKamerstukken II 1979/80, 15 836, nr. 4, p. 9.g: "Tegen vrijwillig eigen zedenbederf de individuen te beschermen behoort niet tot de taak der strafwet. Zij heeft alleen te waken tegen het kwetsen van eens anders eerbaarheid, en dit geschiedt niet door boeken met onzedelijken inhoud, maar door zedelooze prenten of kleine schotschriften die, tentoongesteld of verspreid, zich ook huns ondanks aan personen opdringen, wier zedelijk gevoel er door gekwetst wordt." De wetgever meende dat "lijvige boekwerken" - concreet: serieuze literatuur - nooit onvrijwillig onder iemands aandacht zouden kunnen komen.

Aangetekend moet worden dat het hier primair ging over zaken die de goede zeden betroffen: kwesties als individuele belediging of belediging van een volksdeel, wat in de twintigste eeuw een item zou worden, waren toen nog niet aan de orde. Voor het feit dat literaire teksten de hele negentiende eeuw juridisch buiten schot bleven, geeft letterkundige en (vooral) jurist Ulli Jessurun d'Oliveira begin jaren zeventig in zijn artikel ‘Literaire belediging’ een aannemelijke, sociologische verklaring: de liberale bovenlaag zou het letterlijk beneden haar stand geacht hebben "om hetzij een verbod uit te lokken, hetzij een schamele schadevergoeding te vragen. Het lijdend voorwerp van een scheldkritiek of sleutelroman bakte koekjes van eigen deeg of negeerde de aanval". Literatuur kon zich in die tijd verheugen in een tamelijk homogene, coherente doelgroep die - kort gezegd - de geschreven en ongeschreven regels van het veld kenden. Beekman en GrüttemeierK. Beekman & R. Grüttemeier, De wet van de letter. Literatuur en rechtspraak, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennip 2005, p. 160. betwijfelen d'Oliveira's aanname - bij gebrek aan empirische ondersteuning - en zij wijzen dan ook niet op de opmerkelijke schaduw die deze opvatting wel beschouwd vooruitwerpt naar de twintigste eeuw. Je zou hier namelijk heel goed kunnen spreken van een voorafspiegeling van het latere ‘autonome’ literaire veld, zoals het in de twintigste eeuw steeds geaccepteerder raakte en waar - ik noemde het al even - eigen wetten golden.

Ook de twintigste eeuw blijkt er zeer liberale opvattingen op na te houden met betrekking tot literaire teksten. In 1900 werd al in de Memorie van Toelichting bij artikel 240 gesteld dat "kunst en wetenschap [...] ongemoeid werden gelaten". Een expliciete exceptio artis werd in Nederland echter, ondanks enkele aanzetten ertoe, niet opgenomen in het wetboek. Verantwoordelijk voor de wetswijziging van 1911 was minister Regout van Justitie. Hij meende dat de uitzonderingspositie van literaire teksten zozeer "boven iedere twijfel verheven" was, dat een expliciete verwijzing naar een exceptio artis onnodig was. Zo'n exceptio zou juridisch complex zijn en de minister stelde dat rechters tot dan toe de kunst en de wetenschap ongemoeid hadden gelaten en dat het ook in de toekomst de taak van de rechter zou zijn erop toe te zien dat het artikel niet in te ruime zin geïnterpreteerd zou worden.

Bepalend voor de houding gedurende de hele twintigste eeuw is de rechtsgang rond ‘L'enfer’ van de Franse schrijver Henri Barbusse, waarvan de verkoper van de Nederlandse vertaling in 1919 vervolgdK. Beekman & R. Grüttemeier, De wet van de letter. Literatuur en rechtspraak, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennip 2005, p. 63-70. werd. De procedure werd tot aan de Hoge Raad gevoerd, en mondde uit in vrijspraak. De generale redenering daarbij blijkt achteraf maatgevend voor de processen die in de twintigste eeuw zouden volgen. In het boek was naar de mening van alle rechters beslist sprake van een aanstootgevende passage, maar het begrip ‘geschriften’, dat inmiddels ook in Nederland toegevoegd was aan het wetboek, betekende dat men aanstootgevende passus diende te zien binnen het tekstgeheel. Louter één of meerdere losstaande passages in een geschrift konden nooit grond voor een veroordeling zijn. De rechter ging steeds uit van de werking van de betreffende passage binnen het geheel van de tekst.

Datzelfde zien we bij voorbeeld in het geval van L.H.Wiener, wiens debuut, de verhalenbundel ‘Seizoenarbeid’, in 1967 op last van de Haarlemse rechter uit de handel genomen moest worden. In het verhaal ‘Jansen’ wordt beschreven hoe een hoteleigenaar uit een niet met name genoemd kustdorp wordt betrapt in een compromitterende scène met een serveerster. De eigenaar van een Zandvoorts restaurant, waar de jonge Wiener inderdaad gewerkt had, meende zich te herkennen in het verhaal. Ook in hoger beroep werd het vonnis bevestigd. Jessurun d'Oliveira bepleitte in het al genoemde artikel, naar aanleiding van de zaak rond Wiener, de autonomie van de literatuur, met andere woorden een meer ‘literaire’ lectuur van de tekst. Opmerkelijk is dat, ook in het geval van deze veroordeling, de rechtbank weliswaar geen autonomistische argumenten aanwendt, maar wel op de compositorische kwesties ingaat rond de kwestie deel en geheel. En dat zelfs op een tamelijk curieuze wijze: in het vonnis wijst het Hof er zelfs op dat de verdediging tekstuele argumenten heeft laten liggen, zoals gegevens uit de novelle die het fictionele van het betreffende fragment hadden bevestigd en als zodanig dienstig geweest hadden kunnen zijn bij de verdediging.

In een in 2009 verschenen terugblikL.H. Wiener, Herinneringen aan mijn uitgevers, Amsterdam/Antwerpen: Atlas-Contact 2008, p. 24. op zijn schrijverscarrière maakt Wiener zelf ook duidelijk dat zijn advocaat niet de meest gelukkige keuze was. “Ik zal de werkelijke naam van deze advocaat niet noemen, maar als men in zijn pleitrede, waarbij het erom ging aan te tonen dat ‘eiser’ absoluut niet vereenzelvigd mocht worden met de hoofdpersoon uit het gewraakte verhaal, als men dan tweemaal de naam van de hoofdpersoon uit het gewraakte verhaal verhaspeld met die van de ‘eiser’, waarop er door het publiek in de rechtszaal tweemaal licht gegeneerd gegrinnikt werd en de advocaat van de ‘eiser’ tweemaal in dankbaar hoongelach uitbarstte, dan worden professionele overtuigingskracht en persoonlijke geloofwaardigheid wel zwaar op de proef gesteld, terwijl juist in Amsterdam het enige ‘zwakke punt’ in onze positie - de herkenbaarheid van de plaats des onheils (...) - goeddeels werd weggenomen door de opmerking van de president der rechtbank dat het aan hem onbekend was dat het dorp Zandvoort als enige badplaats in Nederland een uitzichttoren bezat met bovenin een restaurant, onder de extra toevoeging: "Dat zou ik echt niet geweten hebben", waardoor er van de tenlastelegging eigenlijk niets meer overbleef en winst verzekerd leek.”

In zijn memoires uit 2009 maakt Wiener achteraf ook een bizarre speling van de werkelijkheid publiek. Het verhaal van de overspelige hotelhouder had Wiener destijds verzonnen, althans: dat meende hij. Pas heel veel laterL.H. Wiener, Herinneringen aan mijn uitgevers, Amsterdam/Antwerpen: Atlas-Contact 2008, p. 22-23. begreep Wiener dat de man in kwestie, getrouwd en wel, inderdaad de scheve schaatsen reed die de jonge auteur dacht bedacht te hebben. Overigens is het ook Wiener die, allicht zijn juridische ervaring met Zandvoort indachtig, fraaie kluiven levert voor juristen. Wat bij voorbeeld te denken van deze passage uit zijn roman ‘De verering van Quirina T.’L.H. Wiener, De verering van Quirina T., Amsterdam: Contact 2006, p. 13-14. waar de ik-figuur toevallig een telefoonboek uit 1951 van Zandvoort in handen krijgt, dat allerlei herinneringen aan langvergeten personen en bedrijven uit zijn jeugd oproept. Onder hen: Garage Rinko, "het bedrijf van de heer Jongsma, die absoluut nooit lid van de NSB was geweest".

Een recente kwestie heeft ook de werkelijkheid van Zandvoort als decor. Het in het in vakkringen veelbesproken geval van de roman ‘Danslessen’ van Pieter Waterdrinker. De auteur beschrijft hoe de burgemeester van Zandvoort begin jaren zeventig de uitvoer van een bestemmingsplan laat afhangen van de uitslag van een schaatswedstrijd tussen de wethouders Gladpootje en Groen. Dat wordt beschreven in de volgende scène: “"Die vent is helemaal krankjorum geworden", hoorde ik iemand tegen een man met een uitgedoofde pijp tussen zijn tanden zeggen. "Zeg Kees, jij hebt hbs gedaan, dat is toch tegen de wet? Het wordt hier steeds gekker... Je kunt toch niet over de sloop van een pand beslissen door middel van een wedstrijdje schaatsen?" "Ik weet het niet", mompelde de uitgedoofde pijp terug, "maar wat ik wel erg vind is dat Gladpootje zich daarvoor leent. Zo'n keurige katholiek, en dat op zondag! Maar ja. Wat wil je ook, met zo'n joodje aan het hoofd. Kijk, het spul gaat beginnen...".”

Het was de uitlating van het personage over het "joodje" dat steen des aanstoots was. Waterdrinker werd ‘belediging van een groep mensen’, ‘belediging van de burgemeester van Zandvoort’ en ‘belediging van de privépersoon M.R. van der Heijden’ ten laste gelegd. Terzijde zij opgemerkt dat mij met mijn katholieke achtergrond opvalt dat Waterdrinker zijn romanpersonage bij uitstek protestants gedachtegoed laat projecteren op een nette katholiek: de zondagsrust is uiteraard geen leerstuk van de katholieken. Maar ik ben er verder niet beledigd door. Waterdrinker werd door de Haarlemse politierechter alleen schuldig bevonden aan het laatste punt, ‘eenvoudige belediging’, en veroordeeld tot 500 gulden boete. In hoger beroep wordt Waterdrinker vrijgesproken, met als argument: “In het boek wordt de belediging echter - voor een ieder duidelijk kenbaar - geuit door de met ‘de uitgedoofde pijp’ aangeduide figuur, zodat zij niet kan worden aangemerkt als een belediging geuit door verdachte zelf. De enkele omstandigheid dat voormelde figuur en hetgeen deze zegt ontsproten zijn aan de fantasie van verdachte, brengt niet mee dat de uitlating van ‘de gedoofde pijp’ als uitlating van de verdachte moet of mag worden beschouwd: de gesproken woorden en de spreker mogen niet worden losgekoppeld. Verdachte moet derhalve worden vrijgesproken van het primair telastegelegde. Dit zou anders zijn, indien de uitlating van ‘de gedoofde pijp’ in de gegeven omstandigheden als eigen uitlating zou moeten worden toegerekend aan verdachte en/of degene tot wie de uitlating zich richt dit redelijkerwijs aldus zou mogen opvatten. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen, indien verdachte de figuur van ‘de gedoofde pijp’ slechts heeft gebruikt om zijn eigen opvattingen te ventileren, indien de passage niet in het boek of de context past, of indien de passage een zo grote nadruk krijgt dat deze een eigen leven gaat leiden. Deze noch andere omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden doen zich hier echter voor.”

Het Hof gaat dus duidelijk uit van de autonomie van het literaire werk en acht een auteur niet verantwoordelijk voor hetgeen zijn personages te berde brengen: er wordt door hen een duidelijke discrepantie vastgesteld tussen de mening van auteur en mening van een romanfiguur. Het OM verzoekt de Hoge Raad om de uitspraak van het Hof te vernietigen. Advocaat-generaal Machielse, die de Hoge Raad hieromtrent advies uitbrengt, is het met dit verzoek eens. Machielses zeer doorwrochte advies bevat meer interessante passages dan hier besproken kunnen worden. Hij gaat onder meer in op de verschillende status van de auteur van pamfletten e.d. tegenover de auteur van werken van fictionele aard. Hij acht het onterecht dat het de auteur van fictie "te gemakkelijk wordt gemaakt zich aan de verantwoordelijkheid voor zijn eigen schepping te onttrekken", en hij vreest dat de uitspraak van het hof "rechtsvorming omtrent het misdrijf in al zijn verschijningsvormen wel eens zou kunnen blokkeren". Hij wijst er verder onder meer op dat "'s hofs oordeel praktisch neerkomt op een erkenning van de zogenoemde exceptio artis, hoewel deze exceptie - in elk geval in zijn absolute hoedanigheid - in zowel de literatuur als de rechtspraak wordt afgewezen". Hier duikt dus, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, de kunstexceptie weer op, die negentig jaar eerder in 1911 door Regout - inderdaad - uit het wetboek was gehouden.

Mijn indruk is, maar dat zou nader onderzocht moeten worden, dat hier aan hetzelfde gegeven na bijna een eeuw een andere lading wordt toegekend. De afwijzing van een kunstexceptie aan het begin van de twintigste eeuw wortelde in een vanzelfsprekende status aparte voor de letterkunde, die immers alleen door een cultureel en literair gevormde elite werd gelezen. De vanzelfsprekende opmerking dat de kunst "boven iedere twijfel verheven was" en daarom een kunstexceptie niet nodig was, lijkt van een andere orde dan de uitlating van advocaat-generaal Machielse die eraan herinnert dat zo'n kunstexceptie niet bestaat en daaruit de conclusie trekt dat niet alles gezegd mag worden in een literaire tekst.

De Hoge Raad volgt het advies van Machielse uiteindelijk niet - en bevestigt de vrijspraak van Waterdrinker. Met nadruk signaleert de Hoge Raad: "Vooropgesteld moet worden dat de vrijheid van artistieke expressie een wezenlijk kenmerk van een democratische samenleving is." En in het verlengde ervan sluit zich wel beschouwd bij de twintigste eeuwse traditie aan: “Het gaat hier om een door de steller van de tenlastelegging beledigend geachte passage in een roman. In een zodanig geval heeft allereerst te gelden dat voor de beoordeling van de vraag of die passage beledigend is in de zin van art. 137c of van de art. 266 en 267 Sr, die passage niet op zichzelf gelezen moet worden, doch in samenhang met de overige inhoud van de roman. Daarbij dient met name te worden gelet op de aard en de strekking van de roman en de plaats die de desbetreffende passage daarin inneemt. Ook andere omstandigheden kunnen in dit verband van belang zijn zoals de rol van de (roman)figuur aan wie de passage in de mond wordt gelegd en de wijze waarop deze figuur wordt beschreven.”

Beekman en Grüttemeier signaleren hier, naar mijn smaak te sterk, dat in dergelijke oordelen geen recht gedaan wordt aan de autonomie van de literatuur. Mij lijkt juist dat hier zaken zoals bij voorbeeld: functioneren van een fragment binnen een groter geheel, moeilijk anders uitgelegd kan worden dan dat men vooral op zoek gaat naar, wat in de literatuurwetenschap ergocentrische argumentatie heet: argumenten binnen het autonome literaire werk. De rechters snijden misschien, zoals het bij echte autonomie zou moeten, niet elke band tussen werk en werkelijkheid door, maar ze laten toch evident het functioneren van fragmenten binnen de literaire werkelijkheid (en dus niet de ‘echte’ werkelijkheid) het zwaarst wegen. Zelfs in een fameuze zaak als het proces tegen W.F.Hermans bleek de vrijspraak, tot ongenoegen van de auteur, niet zozeer te steunen op het feit dat de schrijver niet verantwoordelijk is voor wat zijn personages zeggen, maar voor het feit dat de passage beoordeeld moest worden in het licht van het geheel van de roman. Een tweeslag die we steeds zien: de uitlatingen op zich zijn beledigend, maar binnen het kader waar ze gebruikt worden zijn ze functioneel en daardoor niet strafbaar.

Afsluitend kom ik tot een paar zaken. De discussie of de Nederlandse rechtspraak al dan niet uitgaat van autonomie van de literatuur in neerlandistische dan wel literairwetenschappelijke zin, is enigszins een casuïstische kwestie. Feit is wel dat bij alle relevante zaken in de twintigste eeuw de rechterlijke macht steeds uitging van compositorische kwesties die louter te maken hebben met het werk als op zichzelf staand object. Ik geloof direct - en sterker dan Grüttemeier en Beekman - dat hier de poëtica van de Tachtigers, waar voor het eerst in de Nederlandse literatuurgeschiedenis l'art pour l'art, de kunst om de kunst, centraal kwam te staan, richtinggevend is geweest voor de (impliciete) literatuuropvatting van de Nederlandse rechters; ik ben er overigens van overtuigd - en heb dat ook al eerderJ.H.Th. Joosten, Onttachtiging: essays over eigentijdse poëzie en poëziekritiek, Nijmegen: Vantilt 2003, p. 11-34. betoogd - dat de literatuuropvatting van Tachtig nog altijd maatgevend is bij veel Nederlandse literatuurliefhebbers in het algemeen. Het lijkt me zeer aannemelijk dat deze impliciete basis voor een nooit geformaliseerde exceptio artis het juridisch klimaat deed ontstaan wat Beekman en Grüttemeier typeren als "welwillend" ten opzichte van literatuur. Daar kan het concluderende adviesJ. de Hullu, ‘Strafrecht en literatuur’, AA 1984-12, p, 761. van De Hullu aan toegevoegd worden. Vervolging van een auteur, zo stelt hij, kan ook zonder veroordeling allerlei secundaire negatieve gevolgen voor een auteur, zoals, bij voorbeeld, problemen met de publieke opinie, subsidieverstrekkers of uitgevers: "Ook daarom - het zij herhaald - moet het strafrecht zich zo ver mogelijk van de literatuur houden" .

Een consequentie hiervan is misschien een korte slotoverweging waard. In Nederland is nog nooit een auteur serieus slachtoffer geworden van rechtsvervolging; daar komt bij dat bij recente zaken - zelfs die rond Theo van Gogh versus Leon de Winter - eerder particuliere aversies een rol spelen dan maatschappelijke thema's. Het is bij voorbeeld in de zaak-Waterdrinker wel geprobeerd, maar ook daar is de aanklacht in eerste instantie alleen gehonoreerd met betrekking tot de individuele belediging van de privépersoon die de aanklacht deed. Je kunt dit toejuichen vanuit de optiek dat Nederland dus wat de letterkunde betreft een liberaal land is waar nog altijd veel, zoniet alles, gezegd kan worden; waar, ondanks de afwezigheid van een exceptio artis, overheidsbemoeienis met literatuur ontmoedigd wordt en er voor beledigde individuen civielrechtelijke wegen openstaan om zich te beklagen over aangedaan onrecht. Je zou hier, misschien onverwacht, ook wat cynischer over kunnen zijn en de vraag stellen: betekent de grote tolerantie in Nederland feitelijk niet dat literatuur als totaal onschadelijk beschouwd mag worden? Dat het in de moderne tijd altijd is wat E. Du Perron ooit noemde "een tijdverdrijf voor enk’le Fijne Luiden" in de negentiende eeuw tot aan een vrijblijvend roep-maar-wat-u-wilt-podium in de eenentwintigste eeuw? Misschien had mijn vriend de criticus wel gelijk in wat hij zei bij mijn eigen conflictje: je wordt pas serieus genomen als er iemand écht aanstoot neemt aan wat je schrijft.