De rechter en de organisatie van zijn mediacontacten

Mia Roessingh
mw. mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels is persraadsheer bij het gerechthof Arnhem-Leeuwarden.

In dit stukje zal ik enkele aspecten aanlichten van de zittende magistratuur (ZM) en de organisatie van zijn optreden in de media. Ik doe dat op verzoek van uw hoofdredacteur, die ik heb leren kennen door zijn werk als buitengriffier bij de strafsector van het gerechtshof te Arnhem, dat sinds 1 januari jl. het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heet, waarin ik zelf als full time (pers)raadsheer werkzaam ben. De afgelopen vier jaar was ik daarnaast voorzitter van de landelijke persrechtersvergadering.

Voorgeschiedenis
In het verband van wat volgt, is het misschien goed om te vermelden dat ik pas tien jaar lid ben van de zittende magistratuur. Daarvoor was ik, teruggaand in de tijd, twee en een half jaar advocaat-generaal te Arnhem, zestien jaar officier van justitie te Almelo, ruim vier jaar lid van het Wetenschappelijk Bureau van de Hoge Raad en ruim vier jaar advocaat bij (toen nog) Loeff & Van der Ploeg te Rotterdam. In elk van die functies heb ik veel gehad aan mijn ervaringen in de daaraan voorafgaande werkkringen, die immers elk hun eigen aardigheden hebben. Misschien kan ik daarom wel zeggen dat ik inmiddels een aardig overall beeld heb van wat elk van die werkkringen aan persoonlijkheidskenmerken, specifieke kennis en vaardigheden van een jurist vraagt, wat de mooie en de minder fraaie facetten ervan zijn en waar zich de zwakke plekken van elk van die speelvelden bevinden. Aan al die voorbije banen en ambten heb ik vele hartelijke en voor mij betekenisvolle vriendschappen overgehouden. U allen wens ik van harte toe dat uw keuze voor de rechtenstudie en de afronding daarvan u zal voeren naar tevoren nooit gedachte paden en dat die u veel arbeidsplezier en voldoening zullen brengen.

De rechter en de media
In de jaren negentig van de vorige eeuw riep het Openbaar Ministerie de persofficier van justitie in het leven. Het OM reageerde daarmee op de in de samenleving toegenomen behoefte aan voorlichting over zijn optreden en de achtergronden daarvan. Geruime tijd later bleek dat de ZM daarbij niet kon achterblijven: de persrechter was geboren. Aanvankelijk aarzelend, maar al gauw met meer oog dan tevoren voor het belang van dit specifieke onderdeel van de rechterlijke taak. Trad de persrechter aanvankelijk uitsluitend in de omgeving van zijn eigen gerecht op, doorgaans om uitspraken voor de schrijvende pers en soms voor de radio van een toelichting te voorzien, niet veel later ontstond vanuit de media de behoefte aan toelichting in bredere zin.
Niet alleen vroegen de audiovisuele media in toenemende mate om toelichting op uitspraken, maar ook achtergronden van die uitspraken kwamen aan bod en niet zelden ook de bredere juridische context daarvan. Tevens werd het noodzakelijk om de media duidelijk te maken op welke faciliteiten zij van de kant van de ZM kunnen rekenen, maar ook welke verplichtingen daaraan zijn verbonden. De ZM heeft immers niet alleen het belang van de openbaarheid te dienen, maar heeft ook te waken voor de privacy van rechtszoekenden, die in het overgrote deel van de gevallen niet hebben gevraagd om contacten met de justitiële autoriteiten en al helemaal niet om full exposure in de media. En bovendien kan een al te grote mate van openbaarheid afbreuk doen aan het belang van de waarheidsvinding, wat zich in het bijzonder in strafzaken doet gelden. Daarom is het bewaren van een evenwicht tussen enerzijds de openbaarheid van rechtspraak en aan de andere kant de privacybescherming van de niet-professionele procesdeelnemer een complex en gevoelig onderwerp, dat voortdurend voorwerp van debat is in en buiten de ZM.

Persrichtlijn
Teneinde van de kant van de ZM duidelijkheid te scheppen omtrent de rechten en verplichtingen van de media, is in 2001 de eerste Persrichtlijn tot stand gekomen. Daarin werd vrij nauwkeurig beschreven op welke faciliteiten vertegenwoordigers van de schrijvende en de audiovisuele pers ten opzichte van de rechterlijke colleges aanspraak konden maken, maar ook wat uitdrukkelijk niét was toegestaan, zoals bijvoorbeeld het in beeld brengen en geluidsopnamen maken van de verdachte en andere niet-professionele procesdeelnemers zoals getuigen. Die Persrichtlijn is in 2006 op onderdelen herzien en in 2011 geheel vernieuwd. Hij is te vinden op de site van de Rechtspraak, www.rechtspraak.nl.

Journalist
Een nog steeds niet uitgekristalliseerd punt is, wie of wat nu eigenlijk is te verstaan onder de term ‘journalist’. Dat is immers geen beschermde titel of duidelijk omlijnde beroepsgroep. Wanneer, als ondergrens, een willekeurig persoon met een weblog zich als zodanig afficheert, dan is hij journalist en zou hij als gevolg daarvan aanspraak kunnen maken op allerhande faciliteiten die de persrichtlijn biedt. Dat is natuurlijk prima in een land dat de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel heeft, maar aan de andere kant moet de ZM ook oog hebben voor de kwetsbare positie waarin vele van zijn bezoekers zich huns ondanks bevinden. Dat springt natuurlijk in het bijzonder in het oog op het gebied van de strafrechtspleging, maar het kan bijvoorbeeld ook tamelijk pregnant naar voren komen bij geschillen van civielrechtelijke aard, waarin partijen hun belangen het liefst niet breed en soms ontijdig in de media uitgemeten willen zien. De ZM is er bijgevolg nog steeds niet afdoende over uit wat moet worden verstaan onder het begrip ‘journalist’, alhoewel het bezit van een (politie)perskaart daarvoor een eerste indicatie kan zijn. Over dit onderwerp is reeds geruime tijd geleden contact gelegd met de Nederlandse Vereniging voor Journalisten, wat leidde tot een interessante uitwisseling van gedachten. De ZM hanteert het begrip journalist vooralsnog weloverwogen en waar mogelijk soepel, hetgeen gelukkig zelden of nooit heeft geleid tot evidente ongelukken. Daarbij moet worden aangetekend dat de Nederlandse media zich over het algemeen zeer goed bewust zijn van hun taken en verantwoordelijkheden en dat er over gevoelige punten doorgaans goed overleg mogelijk is.

Communicatie
Iets over de organisatie van de mediacontacten van de ZM. Elk gerecht in Nederland heeft, evenals de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) een eigen afdeling communicatie. Gezien de ontwikkelingen op het gebied van de Herziening Gerechtelijke Kaart (HGK) zullen die afdelingen in incidentele gevallen zeker gaan samenwerken, hoewel het voor de media geen zoekplaatje zal moeten worden waar ze voor welke zaak terecht kunnen. Hier en daar is als gevolg van de HGK immers de zetel van de vroegere rechtbank verdwenen, maar is de betreffende plaats nog wel zittingslocatie: denk aan de vroegere rechtbank Zutphen. De afdeling communicatie heeft bij elk gerecht een communicatieadviseur c.q. –medewerker die, net als de persrechter, altijd bereikbaar is. De communicatieadviseur verzorgt de eerste opvang voor vragen van de media, die voor het overgrote deel de strafrechtspleging betreffen. Nogal wat vragen van organisatorische aard – omtrent zittingsdata en dergelijke – doet de communicatieadviseur zelf af, de juridisch getinte vragen geleidt hij door naar de persrechter. Elk gerecht heeft er daarvan minimaal één, maar in de praktijk is er altijd een tweede man en bij grotere gerechten is dat een veelvoud. Dat moet ook wel, aangezien de ZM op persvragen prompt wil en moet kunnen antwoorden. Het nieuws is vele malen sneller dan voorheen en draait dag en nacht door, de media wachten niet en (positieve en negatieve) beeldvorming is vandaag de dag een actueel fenomeen. Nu de hoofdtaak van elke rechter nu eenmaal het zogenaamde primaire proces is, het rechtspreken, bestaat de kans dat de persrechter zitting heeft wanneer de media een vraag voor hem hebben. Wachten tot na sluiting van de zitting is geen optie, omdat de beeldvorming zich anders buiten de ZM voltrekt en een andere kant zou kunnen opgaan dan gewenst. Beeldvorming op zichzelf is geen (hoofd)doel van de ZM, maar een stabiele positie van de rechtspraak als één van de drie staatsmachten is zeer zeker in het belang van de rust en het vertrouwen in de samenleving. Vandaar dat de ZM er veel belang aan hecht om met de juiste feiten (en eventueel achtergronden) in het nieuws te komen. Menings- en oordeelsvorming omtrent haar werk laat zij vervolgens graag aan anderen over.

Woordvoerderspools
Teneinde op een aantal bredere onderwerpen, denk bijvoorbeeld aan de levenslange gevangenisstraf of de maatregel van TBS, snel tegemoet te kunnen komen aan vragen van de media om achtergrondinformatie die doorgaans de kop opsteken naar aanleiding van grote(re) strafzaken of incidenten, heeft de RvdR enkele jaren geleden zogenaamde ‘woordvoerderspools’ in het leven geroepen. Die pools worden bemand door rechters en raadsheren die experts zijn op een aantal onderwerpen die, naar de ervaring leerde, periodiek in het nieuws komen en vragen om meer dan gemiddelde kennis van feiten, achtergronden en cijfers. Aanvankelijk besloegen die pools zowel het terrein van het civiele als het bestuurs- en het strafrecht, maar in de loop van de tijd bleek toch dat het overgrote deel van de persvragen het strafrecht betroffen. Daarom zijn de pools civiel- en bestuursrecht recent weer ontmanteld. De RvdR heeft met die pools de mogelijkheid om via daartoe speciaal aangezochte leden van de ZM snel en deskundig acte de présence in de media te geven wanneer de situatie daarom vraagt.

Mediatraining
Natuurlijk hebben alle persrechters een mediatraining gehad die periodiek wordt opgefrist. Dat is geen overbodige luxe. Het onderhouden van mediacontacten is immers ons vak niet, maar vereist wel inzicht in de werking van de mediawereld, om nog maar te zwijgen van inzicht in de positieve, maar zeker ook negatieve kanten van het eigen kunnen. Vandaar dat iedere persrechter leert dat hij (voor microfoon of camera) op een vraag (bijna) nooit een (rechtstreeks) antwoord moet geven, maar daarentegen zijn eigen boodschap moet zien kwijt te raken, liefst in twee zinnen van tien woorden die samen maximaal vijfentwintig seconden mogen duren en die waar mogelijk een paar keer herhaald moet worden, dat hij bij een cameraoptreden liefst geen wit overhemd moet aantrekken vanwege het vreemde televisiebeeldeffect daarvan, dat hij nimmer het woord “ehm” moet laten vallen evenmin als het woord “nee”, op gevaar af dat daarmee wordt geknipt en gemonteerd in geval van een vooraf opgenomen optreden, enzovoort. Met al die wetenschap kan hij na afloop van de training doen wat hem goeddunkt. Onnodig te zeggen dat de term “als je haar maar goed zit” ook bij een cameraoptreden opgeld doet. Beeldvorming geschiedt namelijk in de eerste tien seconden van de opname, als gevolg waarvan de kijker het eerste gedeelte van de boodschap standaard niet meekrijgt. Om die reden ben ik wel eens spoorslags naar huis vertrokken om iets anders aan te trekken, aangezien ik die dag juist een pantervestje droeg dat me minder geschikt leek om de ZM voor de (onverwacht verschenen) camera te vertegenwoordigen. Maar wie zal het zeggen: zoiets kan plotseling ook een heel goede zet blijken. Misschien was het dus een gemiste kans; we zullen het nooit weten.

Talking head
De persrechter beperkt zich in zijn taakuitoefening strikt tot het uitleggen van de uitspraak van zijn collega’s (en treedt trouwens nimmer op als persrechter in zijn eigen zaken). Soms is er bij de audiovisuele media slechts behoefte aan een zogeheten ‘talking head’ die de zojuist gedane uitspraak nog eens in iets minder formele woorden aan de kijker of luisteraar meedeelt, maar menigmaal blijkt er behoefte te bestaan aan uitleg over, bijvoorbeeld, de factoren die de hoogte van de opgelegde straf hebben beïnvloed, of over het verschil tussen het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof. Het is daarbij voor de persrechter de kunst om zich strikt te houden aan het kader van de uitspraak van zijn collega’s en daar dus zelf niets nieuws aan toe te voegen. Hij is immers uitdrukkelijk niet de rechter op de zaak, maar slechts diens zegsman naar buiten toe. Hij mag dus toelichten en hier en daar (nader) verklaren, maar niet interpreteren laat staan aanvullen, hoezeer de vraagstelling daartoe soms bedoeld of onbedoeld ook uitnodigt. Het gevaar bestaat dan immers dat hij meer of anders zegt dan in de uitspraak staat, waarmee die een heel andere lading zou kunnen krijgen. Dat mag natuurlijk nooit gebeuren, omdat het zaak is dat de persrechter bij zijn werk het vertouwen blijft genieten van zijn collega’s, die voor hem immers een uitzondering maken op het geheim van de raadkamer door hem op voorhand de uitspraak ter beschikking te stellen. De persrechter moet zich namelijk niet zelden in korte tijd de inhoud van nogal eens lijvige en juridisch ingewikkelde uitspraken over hem tot dan toe onbekende feitencomplexen eigen maken, teneinde er op een verantwoorde manier met de media over te kunnen spreken. Dat vereist grondig inlezen, tijd nemen om te reflecteren op het gelezene en nadenken over potentiële vragen van de pers. En die te vertalen in ‘quotes’ die beantwoorden aan de hiervoor beschreven eisen en die toch voldoende recht doen aan alle nuances van het onderwerp.

Voortschrijdend inzicht
Vanuit zijn taakopvatting als vakman schept de persrechter er genoegen in de pers, die de ogen en oren van de samenleving is, naar tevredenheid te bedienen. Daarbij helpt het als de journalist zich nieuwsgierig en niet gauw tevreden betoont. Die houding was ver te zoeken bij de vertegenwoordiger van de schrijvende pers die mij ooit om een onderhoud vroeg en daags tevoren de secretaresse telefonisch vroeg welke vragen hij aan mij zou kunnen stellen. Ik heb hem via haar laten weten dat hij een nieuwe afspraak kon maken zodra hij daar voor zichzelf meer duidelijkheid over zou hebben. Tegenwoordig zou ik dat anders doen. Natuurlijk zou ik nu, inmiddels enkele jaren verder in het metier van persrechter, blij zijn met een blanco blad en een nijvere pen, teneinde het verhaal van de rechtspraak vrijuit, zonder grenzen en met zelf aangebrachte nuances, te kunnen vertellen. Zo leert een mens ook van verkeerde beslissingen en heeft men baat bij zoiets als voortschrijdend inzicht.

Tot besluit
Ik besluit met de constatering dat dit slechts enkele losse gedachten over de rechtspraak en de media zijn en dat er nog heel veel meer over te vertellen valt, dat echter het bestek van deze bijdrage te buiten gaat. Ik wil tenslotte nog eens benadrukken dat de ZM ervan doordrongen is dat het vertrouwen van de samenleving in de rechtsstaat en de rechtspraak staat en valt met benaderbaarheid van de Rechtspraak en met glasheldere en ondubbelzinnige uitleg over het rechterlijk oordeel over feiten en omstandigheden van ieder individueel geval. De persrechter levert daaraan zijn bijdrage, het individuele lid van onze democratische samenleving vormt op basis daarvan zijn eigen oordeel.