Einde van de raio-opleiding. Hoe nu verder?

Hans den Tonkelaar
prof. mr. J.D.A. den Tonkelaar is vice-president van de rechtbank Arnhem en hoogleraar rechtspraak aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Het dagboekverhaal dat raio Yesen Cenik in de voorafgaande pagina’s laat optekenen, is een echo die langzaam wegsterft. De opleiding zal in haar huidige vorm namelijk binnen afzienbare tijd verdwijnen. Bij de aanvaarding van zijn ambt in 2009 kwam Hans den Tonkelaar al tot de conclusie dat de raio-opleiding historisch gezien overbodig was geworden. In deze bijdrage schetst hij de achtergrond waartegen de lezer die ontwikkeling moet bezien en zet hij de grote lijnen van het nieuwe traject alvast uit.

Gezellensysteem
In 1957 startte de raio-opleiding. Tot die tijdZie bijv. L.E. de Groot-van Leeuwen, De rechterlijke macht in Nederland. Samenstelling en denkbeelden van de zittende en staande magistratuur (diss. Utrecht), Arnhem: Gouda Quint 1991 en W. Coster, G.Chr. Kok & K.G.F. van der Kraats, ‘De rekrutering van het corps. Een vergelijkend onderzoek naar de leden van de rechtbanken te Rotterdam en Zwolle’, in: W. van Boven & P. Brood (red.), Tweehonderd jaar rechters, Hilversum: Verloren, p. 113 e.v. werden rechters voor een deel gerekruteerd uit jongens uit de betere kringen die als volontair griffierswerkzaamheden gingen verrichten in afwachting van een benoeming tot rechter. Dit soort jongens bestond vrijwel niet meer in de tweede helft van de twintigste eeuw. Bovendien stond de rechtspraak na de Tweede Wereldoorlog niet in een goed daglicht. Er moest iets gebeuren en het is voor een belangrijk deel te danken aan G.E. LangemeijerG.E. Langemeijer, ‘De toekomst van de rechterlijke macht’, NJB 1945, p.281 e.v. Zie ook: W. Schenk, ‘Het eerste denken over een RAIO-opleiding’, in: H. Franken, A. Heijder, C.F. Rüter & E.M. Enschedé (red.), Ad personam. Opstellen aangeboden aan Prof. mr. Ch. J. Enschedé ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, Zwolle 1981, p.287 e.v., die in 1945 voor een herziening van de opleiding van de ‘eigen kweek’ binnen de gerechten pleitte, dat er iets gebeurde. De raio-opleiding die daarvan het resultaat was, vertoonde aspecten van de oude volontairsopleiding: de raio werd als secretaris aan het werk gezet in de verschillende sectoren van de rechtbank en de opleiding vond plaats volgens het zogenaamde ‘gezellensysteem’. Dit wil zeggen dat de opleiding in de praktijk door toekomstige collega’s plaatsvindt. Het gezellensysteem werkt uitstekend en is bovendien leuk, maar het heeft twee grote nadelenE. Köhne-Hoegen, ‘Over de socialisatie en (her)opvoeding van de raio’, TREMA 2006-5, p. 186 e.v. en E. Köhne-Hoegen, ‘De raio-opleiding als socialisatieproces. Uittreders aan het woord’, Recht der werkelijkheid 2008, p. 11 e.v.. In de eerste plaats is de rol van de opleider die ook – en dus tegelijkertijd – beoordeelt, moeilijk. In de tweede plaats houdt het systeem het risico in zich dat er ‘gekloond’ wordt; er worden grijze muizen opgekweekt die zich aanpassen aan de omgeving om door de opleiding te komen.

Zelfstandigheid
Hier staat tegenover dat de raio-opleiding vanaf het begin veel meer naar buiten gericht was dan de opleiding van de volontairs. De verplichte buitenstage, een vaak op een advocatenkantoor en regelmatig in het bedrijfsleven doorgebrachte periode die de raio een blik van buitenaf op de rechtspraak geeft, en de combinatie van de opleiding voor de zittende magistratuur en de staande dragen hiertoe bij. De zorgvuldige aandacht voor het werk in de verschillende sectoren van de rechtbank, bij het Openbaar Ministerie en buiten de magistratuur, maakte dat de opleiding lang duurde. In de loop van de jaren is ze wat in elkaar geschoven en bekort. De verdeling tussen zelfstandig werk – bij het Openbaar Ministerie en in de buitenstage – en ondersteunend werk – bij de rechtbank – werd steeds sterker als een nadeel gevoeld en rond 1990 was het algemeen gebruikelijk geworden dat ‘rechtbankraio’s’ al vroeg een actiever rol kregen op zittingen. Vanaf het begin van de jaren negentig is dit regelEr is weinig geschreven over de raio-opleiding. Illustratief is de Van Staveren-bundel die in 1993 door de SSR is uitgegeven: R.H.M. Jansen & M. de Rooij (red.), Stilstaan bij verandering. De SSR en de opleiding, Zutphen: SSR 1993..

Ondersteuning
Wat sinds 1957 niet veranderde, is de instroom van buitenaf, bijvoorbeeld vanuit de advocatuur, het bedrijfsleven, universiteiten en de ambtenarij. Aanvankelijk hoopte men dat de rechterlijke macht voor de ene helft uit ex-raio’s en voor de andere helft uit zogenaamde buitenstaanders – ook wel overstappers, later rio’s (rechters in opleiding) genoemd – zou bestaan. Deze verdeling is nooit bereikt. De rio’s zorgden en zorgen voor tachtig procent van de zittende magistratuur, de raio’s voor twintig procent . Sinds 1957 is de bemensing van de gerechten ingrijpend gewijzigd. De juridische ondersteuning is door allerlei delegatievormen een belangrijker rol gaan spelen. Sinds de jaren zeventig en tachtig van de afgelopen eeuw worden secretarissen opgeleid in het schrijven van rechterlijke uitspraken, tot dan toe gezien als rechterswerk. Daarmee gingen hun werkzaamheden inhoudelijk lijken op die van de raio’s. De delegatie heeft een hoge vlucht genomen en gaandeweg is het aantal academici onder de secretarissen toegenomen. Inmiddels worden voor de juridische ondersteuning bijna uitsluitend afgestudeerden aangetrokken. Veel zittingen en uitspraken worden voorbereid en uitgewerkt door secretarissen. Zij zijn niet meer de notulisten die men zich vroeger bij griffiers voorstelde, maar bewerken dossiers vaak tot op zekere hoogte zelfstandig. Tot op zekere hoogteZie o.a. N. Doornbos & S. Praagman, ‘De ‘vierde macht’ binnen de gerechten’, TREMA 2012-2, p. 42 e.v. , want de rechter blijft verantwoordelijk voor de behandeling van de zaak, zit de zitting voor en voert daar de regie, bepaalt wat de uitspraak wordt en heeft de redactie van de op schrift gestelde uitspraak.

Doorstromers
Onder deze leden van de ondersteuning kunnen toekomstige rechters zitten. Als eerste van de gerechten heeft de Centrale Raad van Beroep een opleidingsprogramma voor aspirant-rechters onder zijn gerechtsauditeurs en juridisch medewerkers opgesteld. Nadat bij de hoven en de rechtbanken incidentele oplossingen voor deze zogenaamde doorstromers waren gevonden, is in 2006 een ‘Procedure interne doorstroom naar rechterschap’ ontwikkeld op initiatief van de Raad voor de rechtspraak. Daarom kon ik in 2009 in mijn oratieJ.D.A. den Tonkelaar, Optimus Iudex. Over het belang van de selectie van onze rechters (oratie Nijmegen), Deventer: Kluwer 2009, p. 50. zeggen dat de raio-opleiding van de drie wervings- en opleidingsmogelijkheden historisch gezien overbodig geworden was . Ze is ingevoerd in een tijd waarin de gerechten anders waren samengesteld en anders werkten dan nu. Alleen de raio-opleiding bood toen eigen kweek, nu zijn er ook doorstromers. Ondertussen vroeg men zich af of zittende en staande magistratuur wel gezamenlijk opgeleid moesten blijven worden, of de raio-opleiding niet korter kon en of zij wel voldoende aantrekkelijk was. Daarnaast moest er bezuinigd worden. Het leidde tot beëindiging van de raio-opleiding in de vertrouwde vorm en tot bezinning op wat ervoor in de plaats moest komen.

Kwaliteit
Een precaire kwestie die veel besproken is binnen de rechterlijke macht, is het niveau van de raio’s. Hierover schreef Margreet Ahsmann in het Nederlands JuristenbladA.J.A.M. Ahsmann, ‘Het civiel effect biedt niet wat het pretendeert’, NJB 2011, p. 28 e.v.. Zij constateerde dat opleiders meer teleurstellingen dan vroeger meemaken. Anders dan Ahsmann schrijfJ.D.A. den Tonkelaar, ‘Reactie op Ahsmann’, NJB 2011, p. 474. ik dit niet geheel op de rekening van de universiteiten. Voor mij is belangrijker of het aanbod aan raio’s niet verschuift. De selectie is vergelijkendOver de rechtersselectie, mede in verband met de nieuwe opleiding, verschijnen begin 2013 in Rechtstreeks 2012-4, een artikel van Marise Born en een essay van Frank Fleerackers.. Daarbij is een gegeven dat er buiten dat aanbod veel betere kandidaten kunnen rondlopen, die als zij zich voor de selectie hadden aangemeld, voor hogere selectie-eisen hadden gezorgd. Hun aantal wordt groter naarmate van de groep pas afgestudeerde uitblinkers een groter deel ervoor kiest om zich niet direct voor de raio-selectie aan te melden, maar de mogelijke overstap naar de rechterlijke macht voor later in gedachten te houden. Als ik om mij heen kijk, krijg ik de indruk dat hiervan sprake is; de keuze voor een beroep is niet meer vanzelfsprekend een keuze voor het leven, wat het enige decennia geleden zeker bij een beroep als dat van rechter, wel was. Ik ben niet de enige rechter die de afgelopen jaren vermoedde dat de gemiddelde kwaliteit van het aanbod daalde doordat minder uitblinkers direct voor de rechterlijke macht kozen.

Missers en uitblinkers
Bij de bezinning op het nieuwe is vanuit de opleiders – waartoe ik al lang behoor – de vraag naar voren gekomen of het hierboven genoemde probleem dat de opleider tevens beoordelaar is, niet eens aangepakt kan worden. Het is leuk om toekomstige collega’s wegwijs te maken in het bedrijf, te leren hoe je een zitting voorbereidt, hoe je er leiding aan kunt geven, hoe je een uitspraak schrijft en in het algemeen hoe je binnen het bedrijf met elkaar en met ‘de buitenwereld’ omgaat, maar er blijft altijd het probleem dat die vriendelijke coach met wie je elke dag optrekt, op een gegeven moment moet gaan zeggen of je wel verder kunt met de opleiding. Veel opleiders ervaren dat ook de beste raio’s pas geloven dat het goed gaat als het beoordelingsformulier zonder A of BDe A leidt tot afwijzing, de B tot een verlenging op het desbetreffende onderdeel. is ingevuld. Nog moeilijker is het bij mensen die het inderdaad niet zo goed doen. De opleider moet aan de ene kant blijven stimuleren, maar aan de andere kant wel duidelijk maken dat er nog heel wat moet gebeuren. Daarbij speelt een rol dat de opleider geen jaren nodig heeft om te weten wat voor vlees hij in de kuip heeft, maar de missers en de uitblinkers al snel herkent.

Nieuwe stijl
Een aantal hierboven gesignaleerde feiten en omstandigheden is meegenomen in de voorbereiding van de opleiding nieuwe stijlHierover is inmiddels vrij veel informatie te vinden via www.rechtspraak.nl.: de opleider zou niet moeten beoordelen; de raio-opleiding is lang en lijkt steeds minder aantrekkelijk te zijn geworden; de combinatie van opleidingen voor de zittende en de staande magistratuur brengt lastige vragen mee en opleidingsproblemen; de van oudsher op net afgestudeerden gerichte opleiding krijgt een steeds grotere instroom van juristen wier professionele loopbaan al begonnen is. De Stichting Studiecentrum Rechtspleging (SSR), tot voor kort in Zutphen en nu in Utrecht gevestigd, houdt zich bezig met de opleiding en permanente educatie van leden van de rechterlijke macht. De Raad voor de rechtspraak heeft de SSR opdracht gegeven tot het ontwikkelen van een ‘Initiële opleiding zittende magistratuur’. De hoofdlijnen van deze nieuwe opleiding tekenen zich inmiddels af. Zeker is al dat er één opleidingsvorm komt, voor net afgestudeerden en overstappers samen. Werkervaring vooraf is hierbij, anders dan bij de oude raio-opleiding, een vereiste. De opleidingsduur van in beginsel vier jaar kan tot minimaal twee jaar bekort worden op grond van relevante vóórervaring. Binnen de opleiding wordt door toepassing van samenhangende modules maatwerk geleverd. Voor degene die na zijn of haar afstuderen alleen maar een gerecht van binnen heeft gezien, blijft de buitenstage bestaan. De opleiding van rechters en van officieren van justitie blijven niet gecombineerd, maar cursussen die voor beide groepen van belang zijn, worden gezamenlijk gevolgd terwijl bovendien nagegaan wordt in welk geval samenwerking met de beroepsopleiding van de advocatuur vruchtbaar is.

Ideaal
Aan de laatste uitwerking van deze hoofdlijnen wordt op dit moment hard gewerkt. Daarbij is ook het moeilijke punt van de beoordelende opleider onderwerp van gesprek. Bij het opleiden komt de nadruk op coaching te liggen; beoordeling vindt in de leerwerkomgeving regelmatig plaats, maar aan het einde van de opleiding door een landelijk of regionaal samengestelde beoordelingscommissie. Daarmee zijn opleiden en beoordelen, voor zover het bij dit laatste niet gaat om het regelmatig bespreken van vorderingen en aandachtspunten, uit elkaar gehaald gaan worden. Het gezellensysteem met zijn risico van ‘klonen’ blijft bestaan, maar de opleider krijgt grotendeels de handen vrij om te stimuleren en te begeleiden. Dit wezenlijke punt, de leerfilosofie van de opleiding betreffend, is door de SSR met voortvarendheid aangepakt, zeer tot genoegen van de opleiders en ongetwijfeld ook van degenen die zich van hun opleiding de constante beoordelingsdruk herinneren. In hoeverre het ideaal bereikt kan worden, zal de nabije toekomst uitwijzen. Het is de bedoeling dat de nieuwe opleiding medio 2013 van start gaat.