De jurist: wetenschapper of toch geleerde?

Koen van Vught
K.A.M. van Vught is student van de onderzoeksmaster Onderneming & Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Vroeger was het duidelijk. Waar voorlichtingsfolders van nu studies als bestuurskunde, communicatiewetenschappen en zelfs cyber security aanprijzen, beperkten de middeleeuwse universiteiten zich tot geneeskunde, theologie en rechten. De onderzoeker onderzocht, de docent doceerde en de student studeerde. Wetenschap in optima forma, zo leek het althans.

Nieuwe tijden, nieuwe eisen
Vandaag is alles anders. Niet alleen hebben de medici, de theologen en de juristen gezelschap gekregen, ook is de universiteit noodgedwongen veranderd. De hedendaagse academicus kan niet langer zomaar wetenschap bedrijven, maar moet zich continu verantwoorden. Zo moet de student harder, sneller en vooral efficiënter studeren. De docent doceert weliswaar nog steeds, maar nu wel op didactisch verantwoorde wijze. En de onderzoeker? De onderzoeker moet vooral zo vaak mogelijk publiceren, het motto to publish or perish indachtig. Alles moet meetbaar, alles moet verantwoord.
Zonder problemen is dit alles niet. Omdat de eisen van nu ook voor de traditionele vakgebieden van toen gelden, staat de rechtsgeleerdheid onder druk. Natuurlijk, aan de publiciteitsdruk valt een mouw te passen. En ook rechtenstudenten kunnen harder studeren. Maar een werkelijk probleem vormt de financiering van juridisch onderzoek: om in aanmerking te komen voor externe financiering (bijvoorbeeld van het NWO), moet ook juridisch onderzoek aan wetenschappelijke eisen voldoen. Wie geen ‘echte wetenschap’ beoefent, krijgt minder geld.
Daarmee is de vraag of rechten een wetenschap is, veel meer geworden dan een louter academische kwestie. Het is nuttig te reflecteren op onze positie: is de jurist een wetenschapper of toch een geleerde?

Rechtsgeleerdheid: een wetenschap?
Binnen de universitaire gemeenschap is de rechtsgeleerdheid een vreemde eend in de bijt. Zo publiceren de meeste juristen niet in internationale tijdschriften, terwijl zij nog nooit van ‘peer review’ hebben gehoord en bovendien sterk op de rechtspraktijk zijn georiënteerd Zie J. Smits, Omstreden rechtswetenschap: over aard, methode en organisatie van de juridische discipline, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 15; C.J.M.M. Stolker, ‘Wat maakt een juridisch tijdschrift wetenschappelijk?’, NJB 2004, afl. 28, p. 1410. . Ook besteden juristen hun tijd aan het schrijven van annotaties, stukjes die voor de buitenwereld moeilijk kunnen doorgaan voor publicaties Zie R.J.N. Schlössels, ‘De noot van de toekomst – de toekomst van de noot?’, AA 2012, p. 230. . Daarbij komen nog de bezwaren van meer methodologische aard: de rechtsgeleerdheid besteedt nauwelijks aandacht aan onderzoeksmethoden Zie R.A.J. van Gestel & J.B.M. Vranken, ‘Rechtswetenschappelijke artikelen: naar criteria voor methodologische verantwoording’, NJB 2007, afl. 24, p. 1448-1461. , is zeer subjectief C.J.J.M. Stolker, ‘’Ja, geléérd zijn jullie wel!’: over de status van de rechtswetenschap’, NJB 2003, afl. 15, p. 771-773. en opgedeeld in een groot aantal subdisciplines, waardoor een overkoepelend thema of theorie ontbreekt R.A. Posner, The Problems of Jurisprudence, Harvard University Press 1993, p. 69. . Kortom: de rechtsgeleerdheid lijkt niet te voldoen aan het moderne beeld van wetenschap, waardoor zij het moet afleggen tegen andere disciplines. Dit alles vertaalt zich in minder geld: zo krijgen de juridische faculteiten nu al minder geld uit de zogeheten tweede geldstroom en delven juristen het onderspit in de strijd om onderzoekssubsidies De tweede geldstroom bestaat uit onderzoekssubsidies van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Zie voor de Nijmeegse rechtenfaculteit: Onderzoeksjaarverslag 2012, Radboud Universiteit Nijmegen, p. 31, waaruit blijkt dat de rechtenfaculteit minder geld krijgt uit deze geldstroom dan bijna alle andere faculteiten. Op de website van het NWO (www.nwo.nl) zijn vermeldingen van zuiver juridisch onderzoek schaars. .
Wat is dan wetenschap? Naar huidige opvatting, die sinds grofweg het einde van de achttiende eeuw de heersende is, kent het wetenschapsbegrip een drietal elementen, namelijk (1) objectiviteit, (2) falsificeerbaarheid en (3) ‘empiriegerichtheid’ H. Koningsveld, Het verschijnsel wetenschap, Amsterdam: Boom 2006, p. 29. . De keuze voor deze elementen – met name bedacht door Karl Popper Zie met name K. Popper, The Open Society and its Enemies (Volume 2), London: Routledge 1945. – is ingegeven door een streven naar objectieve, hogere kennis ten tijde van de Verlichting. Aan hinderlijke dogma’s en middeleeuwse bijgeloven moest een einde worden gemaakt. Het gaat dus niet zozeer om het systematisch verwerven van kennis op zichzelf Vgl. H. Franken, ‘Rechtsgeleerdheid in de rij der wetenschappen’, NJB 2004, afl. 28, p. 1401. , maar om het verwerven van kennis die onafhankelijk van de persoon van de onderzoeker is en kan worden gereproduceerd. Bovendien, zo impliceert het tweede kenmerk, dient de aldus verworven kennis te bestaan uit theorieën die openstaan voor weerlegging. Ten slotte dient kennis gebaseerd te zijn op het waarnemen van feiten.
Kortom: Archimedes, de paus en de Hoge Raad mogen wellicht evenveel autoriteit bezitten, alleen de eerste kan zich wetenschapper noemen. Het mag duidelijk zijn: de rechtsgeleerdheid kan in geen enkel opzicht voldoen aan een zo positivistische opvatting van wat wetenschap is. Juridische kwesties – zoals bijvoorbeeld de invulling van het begrip ‘onrechtmatige daad’ – laten zich niet met waarneming, met een experiment, oplossen.

Een genuanceerde wetenschapsopvatting
Zelfs indien een genuanceerdere definitie van wetenschap tot uitgangspunt wordt genomen – waarin niet alleen de bestudering van feiten, maar ook de bestudering van meningen als wetenschap geldt Wat ook wel de ‘weberiaanse wetenschapsopvatting’ wordt genoemd, naar socioloog Max Weber. Zie M. Weber, Grundriss der verstehenden Soziologie (4e editie), Tübingen: Mohr 1956. – kunnen grote delen van de rechtsgeleerdheid moeilijk voor wetenschappelijk doorgaan. Immers, het eerste en tweede kenmerk leveren dan nog steeds problemen op. Ook al zou het analyseren van bijvoorbeeld rechterlijke uitspraken gebaseerd kunnen zijn op empirische waarneming (namelijk door de uitspraken als empirische gegevens te zien), dan nog is van wetenschap geen sprake. Niet alleen komt het analyseren van jurisprudentie uiteindelijk neer op het formuleren van een waardeoordeel (dus niet objectief), ook is de gevonden analyse moeilijk te weerleggen. Natuurlijk, een discussie is altijd mogelijk, maar het pleit wordt nooit beslecht. Altijd zal de ene rechtsgeleerde interpretatie even waar zijn als de andere.
In ieder geval is de traditionele rechtswetenschap – die zich vooral richt op het beschrijven van rechtsregels – niet wetenschappelijk te noemen. Juristen die zich bezighouden met de vraag hoe het recht zou moeten luiden (normatieve rechtsgeleerdheid), kunnen evenmin als wetenschappers worden gezien. Met de rechtsfilosofen en rechtstheoretici, die zich richten op metajuridische vragen, is het allicht nog droeviger gesteld. Een uitzondering vormen de rechtseconomen, rechtssociologen en anderen die het recht combineren met empirische methoden. Zie voor deze typologie: Smits, a.w., p. 28.

Wat nu?
Over het bovenstaande valt uiteraard te twisten. Zo is de hierboven uiteengezette definitie van wetenschap zeker niet de enig denkbare. Er zijn ongetwijfeld definities te bedenken die ook de dogmatische, normatieve rechtsgeleerdheid omvatten, al moet worden betwijfeld in hoeverre deze definities voldoende onderscheid maken tussen gewone kennis enerzijds en wetenschap anderzijds. Hoe dan ook, de samenleving, de politiek en de subsidieverdelers zijn doordrongen geraakt van een positivistische wetenschapsopvatting. Een ontwikkeling die mijns inziens moeilijk te keren is.
Wat kunnen juristen dan doen om relevant te blijven? Ik zie de oplossing in een aanpassing van (1) de methoden, (2) het werkterrein en (3) de vorm van de rechtsgeleerdheid. Allereerst de methoden: als gezegd kenmerkt veel juridisch onderzoek zich door een gebrek aan objectiviteit en falsificeerbaarheid. Zo is lang niet altijd een duidelijk onderscheid aangebracht tussen hoe het recht is en hoe het recht moet zijn; ook speelt de persoonlijke opvatting van de auteur een prominente rol. Het zou toe te juichen zijn, als in elk juridisch stuk meer aandacht wordt besteed aan de gebruikte methoden van onderzoek. Het uitleggen van de onderzoeksmethode en het verantwoorden van de gekozen bronnen verhogen de wetenschappelijke kwaliteit.
Daarnaast zou het nuttig zijn indien de rechtsgeleerdheid haar werkterrein verbreedt. Waar politicologen, filosofen en economen allang uitspraken doen over het recht, zouden juristen zich ook – andersom – moeten richten op de bestudering van andere vakgebieden. Een juridische analyse moet zich niet beperken tot de normatieve aard van een rechtsregel, maar zou standaard ook een rechtseconomische en rechtssociologische component moeten bevatten. Het belang van waarden als rechtszekerheid, contractsvrijheid en gelijkheid kan veelal ook empirisch worden onderbouwd. Daarnaast mag rechtsvergelijking niet ontbreken.
Ten slotte: de vorm van de rechtsgeleerdheid mag zeker minder traditioneel. Natuurlijk, juristen zullen minder snel publiceren in internationale tijdschriften, omdat rechten (vooralsnog?) een nationale wetenschap is. Maar waarom kan een jurist niet promoveren op een bundeling van artikelen, zoals bijvoorbeeld in de geneeskunde? Waarom kennen veel juridische tijdschriften nog steeds geen systeem van peer review? Waarom is veel juridische informatie nog altijd niet gratis toegankelijk voor het publiek? Dit laat het bestaan van traditionele vormen, zoals de annotatie, onverlet.

Conclusie
Het mag duidelijk zijn. Ook al is de zuivere rechtsgeleerdheid dan geen wetenschap, het kan allemaal wetenschappelijker, met meer methoden, een groter werkterrein en een minder traditionele vorm. Zo kunnen juridische onderzoekers blijven onderzoeken, docenten blijven doceren en studenten blijven studeren. Zo is de jurist wetenschapper en jurist tegelijk.

In de volgende editie van Actioma volgt een reactie op dit artikel van universitair hoofddocent algemene rechtswetenschap mr. drs. J.W.A. Fleuren