Eerlijk zullen we alles delen

Martijn Stevens
dr. M.J.C.G. Stevens is als universitair docent verbonden aan de opleiding Algemene Cultuurwetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen.

“Alle beelden van de online collectie zijn haarscherp. Je favoriete werken kun je daarom beeldschoon laten afdrukken. Als poster bijvoorbeeld. Of downloaden om er zelf iets van te maken.” Met deze omschrijving presenteert het Rijksmuseum in Amsterdam sinds 30 oktober 2012 ruim 125.000 afbeeldingen van objecten uit de eigen collectie, die in hoge resolutie online beschikbaar zijn gesteld onder de noemer ‘Rijksstudio’. Het publiek wordt nadrukkelijk aangemoedigd om de afbeeldingen te delen of opnieuw te gebruiken voor creatieve doeleinden. De bijbehorende website toont inspirerende voorbeelden, zoals levensgroot fotobehang voor woon- of slaapkamer, 3D-prints die zijn geïnspireerd op antieke vazen uit China, een tatoeage met bloemen uit een stilleven van een zeventiende-eeuwse schilder en een elektrische scooter die desgewenst wordt uitgevoerd in de kleuren van een meesterwerk uit de Gouden Eeuw. Het initiatief wordt geroemd als een vernieuwende vorm van cultuurspreiding en publieksbereik, maar een kritische blogger is terecht benieuwd naar de juridische voetangels en klemmen.

Hernieuwde discussie
De verspreiding van (toegepaste) kunst en cultureel erfgoed via het internet raakt immers aan wet- en regelgeving omtrent exploitatierechten, persoonlijkheidsrechten, naburige rechten, de bescherming van persoonsgegevens, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het portretrecht, het erfrecht, het strafrecht, het databankenrecht, de geschriftenbescherming, het octrooirecht, het modellenrecht, het merkenrecht, enzovoorts. De lijst is schier eindeloos en boekenkasten zijn reeds vol geschreven over de status van het intellectuele eigendomsrecht in het digitale tijdperk. Rijksstudio duidt niettemin op een trend die momenteel snel opgang maakt in de cultuursector en wellicht zelfs noopt tot een hernieuwde discussie over de definitie en de (juridische) positie van ‘creatieve makers’, zoals ontwerpers, kunstenaars, uitvinders en ontwikkelaars. Ik doel hiermee op een toenemende interesse voor de vrije uitwisseling van kennis, die bijvoorbeeld ook duidelijk zichtbaar is in de wetenschap, het openbaar bestuur, de zorg en het bedrijfsleven.

Vrij verkeer van informatie

Ik wil specifiek ingaan op het veld van kunst, cultuur en erfgoed. Daar lijkt het ideaal van vrij verkeer van informatie evenzeer te botsen met de economische belangen die zijn gemoeid met de bescherming van intellectuele eigendom, wat de verdere ontwikkeling van deze sector in een tijdperk van ingrijpende hervormingen mogelijk belemmert. Gesubsidieerde instellingen worden namelijk geacht te innoveren om kosten terug te dringen en tevens eigen inkomsten te verwerven. Daarbij wordt met een schuin oog gekeken naar de creatieve industrie, die soms wordt beschouwd als de commerciële tegenhanger van de traditionele cultuursector. Het concept van de creatieve industrie is feitelijk een overkoepelende term voor een veelheid van activiteiten die hoofdzakelijk zijn gericht op de exploitatie van kunstzinnige uitingen of – anders geformuleerd – de economische benutting van intellectuele eigendom. De overheid constateert dat de creatieve industrie behoort tot de snelst groeiende onderdelen van de Nederlandse economie en ze wordt tevens gezien als een waardevolle aanvulling op andere sectoren, die tenslotte voortdurend behoefte hebben aan creatieve oplossingen voor bedrijfskundige of maatschappelijke vraagstukken. Stimulering en versterking van de creatieve industrie houden evenwel gelijke tred met verregaande ‘ombuigingen’ in de traditionele cultuursector.

Innovatie
De gesubsidieerde kunsten hebben momenteel te kampen met politieke en maatschappelijke tegenwind, die verder wordt aangewakkerd door een economische crisis. Bekostiging vanuit publieke middelen is niet langer vanzelfsprekend en instellingen dienen financieel onafhankelijk te worden. Ondernemerschap is hierbij een sleutelbegrip, wat bijvoorbeeld inhoudt dat de bedrijfsvoering winstgevend moet zijn. Klantgerichtheid speelt eveneens een rol: het aanbod van culturele organisaties dient beter te worden afgestemd op de wensen van het publiek. Bezoekersaantallen lopen immers al geruime tijd terug en het politieke draagvlak voor kunst en cultuur lijkt eveneens steeds smaller te worden. De sector is derhalve genoodzaakt zich te vernieuwen. In de bedrijfskunde heeft innovatie doorgaans betrekking op de vertaalslag van nieuwe inzichten of ideeën naar concrete veranderingen op het gebied van de structuur, de werkwijze, het verdienmodel, het productaanbod of de dienstverlening van een organisatie. De aard, de omvang en het tempo van dergelijke vernieuwingen variëren per organisatie of bedrijfstak, maar ze worden vrijwel zonder uitzondering gekenmerkt door een hoge mate van onzekerheid en gaan dikwijls gepaard met grote investeringen. Innovaties zijn daarom bijzonder risicovol. Wet- en regelgeving biedt bescherming tegen deze risico’s, zodat bedrijven uiteindelijk profiteren van het geïnvesteerde kapitaal.

Kunstenaarscollectieven
De bescherming van intellectuele eigendom omwille van economisch gewin staat op gespannen voet met het ideaal van toegankelijke kennis en vrije uitwisseling van informatie, dat diep is geworteld in de traditionele cultuursector. In het digitale tijdperk is deze tegenstelling meermaals op scherp gezet door maatschappelijke organisaties en hacktivisten, die het internet nadrukkelijk beschouwen als een publiek domein dat gevrijwaard dient te blijven commerciële belangen, overheidstoezicht en hiërarchische structuren. De klassieke opvatting van intellectuele eigendom is derhalve vervangen door de principes van copyleft, open source en creativecommons. Met ludieke of subversieve acties wordt bovendien aandacht gevraagd voor de veranderingen die hebben plaatsgevonden in de beroepspraktijk van creatieve makers, zoals de verschuivende opvatting van originaliteit en kunstenaarschap. Het romantische ideaal van de autonome kunstenaar met een eigen visie en een persoonlijke signatuur heeft in de loop van de twintigste eeuw namelijk aanzienlijk aan betekenis ingeboet. Kunstenaars zijn verenigd in collectieven, werken worden uitgevoerd in reproduceerbare media en publieksparticipatie is eerder regel dan uitzondering. Verveelvoudiging in gewijzigde vorm is een vanzelfsprekende en veelgebruikte strategie, die vaak zelfs wenselijk wordt geacht. Hiermee is het uitsluitend recht van de maker, dat stevig is verankerd in de Auteurswet, verworden tot een anachronisme. De oorspronkelijk wettekst uit 1912 is weliswaar herhaaldelijk aangepast om tegemoet te komen aan maatschappelijke en technologische veranderingen, maar de grondbeginselen zijn vrijwel onaangetast gebleven. Opmerkelijk is bijvoorbeeld de kennelijke behoefte om uiteindelijk slechts één individu aan te wijzen als de maker van het werk, die juridische bescherming nodig heeft om ‘rechtmatig profijt te trekken’ van de eigen creativiteit.

Concurrentie
In de begindagen van het internettijdperk leken de initiatieven van de digitale tegenbeweging relatief onbeduidend, d