All in the Family: Over de wetenschappelijke status van de rechtsgeleerdheid

Joseph Fleuren
Mr. dr. J.W.A. Fleuren heeft rechten en filosofie gestudeerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is aldaar universitair hoofddocent Algemene rechtswetenschap.

In de vorige aflevering van Actioma heeft Koen van Vught bestreden dat de traditionele, ‘zuivere’, rechtsgeleerdheid een wetenschap is. Uitsluitend juridische disciplines die gebruik maken van empirische methoden, zoals de rechtseconomie en de rechtssociologie, zouden wetenschappelijk zijn. Op verzoek van de redactie van Actioma reageer ik op zijn prikkelende artikel. Naar mijn oordeel is er geen steekhoudende reden om aan de rechtsgeleerdheid de status van wetenschap te ontzeggen.

Een onjuiste veronderstelling
Het betoog van Koen van Vught berust op de veronderstelling dat het antwoord op de
vraag of de rechtsgeleerdheid een wetenschap is, moet worden beslist aan de hand van een
(aanvaardbare) definitie van het begrip wetenschap. Zelf neemt hij de wetenschapsopvatting
van Karl Popper (1902-1994) als uitgangspunt, zij het dat hij daarbij aantekent dat er
ook andere definities van wetenschap denkbaar zijn.

De basisveronderstelling is echter onjuist. De geschiedenis van de wetenschapsleer
in de 20e eeuw laat zich kwalificeren als een zoektocht naar een zogenaamd demarcatiecriterium, dat wil zeggen een maatstaf aan de hand waarvan beslist kan worden wat
wetenschap en wat pseudo-wetenschap is. Als deze zoektocht iets heeft aangetoond,
dan is het wel dat een dergelijk criterium een illusie is. De wetenschapsleer is er al een
eeuw lang niet in geslaagd om consensus te bereiken over een aanvaardbare definitie van
het begrip wetenschap. Integendeel. De geschiedenis van de wetenschapstheorie heeft
juist duidelijk gemaakt dat zoiets als de wetenschappelijke methode niet bestaat. De
gedachte dat er één bepaalde methode is die wetenschappelijke kennis genereert en dat
kennis die niet volgens deze methode tot stand is gekomen, per definitie onwetenschappelijk
is, is een hersenschim geblekenZie vooral P.K. Feyerabend, Against Method, revised edition, London: Verso 1988. Iedere wetenschappelijke discipline heeft haar eigen methoden, die bovendien in de loop van de tijd kunnen veranderenA.F. Chalmers, What is This Thing Called Science?, 4th edition, Indianapolis: Hackett 2013, p. 149-150.. Zelfs binnen een en dezelfde discipline zullen verschillende probleemstellingen vaak verschillende methoden vergen. Soms kan een vraagstelling pas worden beantwoord nadat een wetenschapper een nieuwe methode heeft bedacht. Wetenschapsbeoefening is onlosmakelijk verbonden met creativiteit en serendipiteit. Het is dan ook willekeurig om aan de rechtsgeleerdheid wetenschappelijke status te ontzeggen omdat de door Popper op de kaart gezette methode van het falsificationisme - een wetenschappelijke theorie moet niet alleen een zo groot mogelijk empirisch bereik hebben, maar moet bovendien als weerlegd worden beschouwd zodra een empirische consequentie van de theorie onjuist blijkt te zijnK.R. Popper, The Logic of Scientific Discovery, 2nd edition, London: Hutchinson 1968. - voor de rechtsgeleerdheid niet of niet steeds bruikbaar is. Het falsificationisme van Popper is vooral bedoeld om de wetenschappelijkheid van de natuurkunde te verklaren en te rechtvaardigen, maar zelfs in dat opzicht schiet het tekort. Wetenschapshistorische studies hebben namelijk aangetoond dat de ontwikkeling van de natuurkunde op gespannen voet staat met de theorie van PopperO.a. I. Lakatos, ‘Falsification and the
Methodology of Scientific Research Programmes’, in: I. Lakatos & A. Musgrave (eds.), Criticism and the Growth of Knowledge, 3rd impression, Cambridge: Cambridge
University Press 1974, p. 91-196.
. Als bijvoorbeeld Copernicus zich
als een goed Popperiaan avant la lettre had gedragen, dan zou hij zijn De revolutionibus
orbium coelestium (Over de omwentelingen van hemellichamen) nooit hebben gepubliceerd.
Toen dit boek in 1543 verscheen, was de erin vervatte theorie namelijk in strijd
met een aantal algemeen bekende empirische gegevens (verkregen door astronomische
observaties met het blote oog) en met enkele algemeen aanvaarde fysische inzichten. In
Popperiaanse termen was de theorie bij voorbaat gefalsifieerdFeyerabend, Against Method, hoofdstuk 5. Feyerabend schroomt zelfs niet om de conclusie te trekken dat ‘no single theory ever agrees with all the known facts in its domain’ (p. 39; curs. van Feyerabend)..

Jehovah’s Getuigen
Kortom, wetenschap is een te veelvormig verschijnsel om zich in een eenduidige definitie
te laten vangen of zich door een enkele methode te laten kwalificeren. Het onderscheid
tussen wetenschapsbeoefening en andere vormen van kennisverwerving is dan ook
vloeiend. Dat wil niet zeggen dat er niets zinnigs over dit onderscheid te zeggen valt.
Zo kan bijvoorbeeld een houding ten opzichte van kennis wetenschappelijk of onwetenschappelijk
zijn. Ik zal dit toelichten aan de hand van een voorbeeld. De keren dat ik met Jehovah’s Getuigen in gesprek ben gegaan, bleken zij steeds te veronderstellen dat de bijbel het woord van God is, althans dat de daarin vervatte teksten door God zijn ingefluisterd. Als ik hen dan attendeerde op de historische studie van Robin Lane Fox over de bijbel, waarin de onhoudbaarheid van deze veronderstelling onomstotelijk wordt aangetoondR. Lane Fox, De bijbel: waarheid en verdichting, uit het Engels vertaald door T. Davids, 2e druk, Amsterdam: Agon 1993., dan was het gesprek doorgaans snel beëindigd. Een enkele keer zeiden mijn gesprekspartners vaag dat ze het boek een keer zouden lezen, nooit werden auteur en titel genoteerd, en geen enkele keer kreeg ik de vraag of ze het boek misschien van mij mochten lenen. Ik werd vriendelijk bedankt voor het gesprek(je) en men trok vervolgens verder langs de huizen, op zoek naar adressen waar wel een bijbel, maar geen literatuur óver de bijbel in de boekenkast staat. Ik gun Jehovah’s Getuigen hun geloof
(en hun blijmoedigheid), maar dit illustreert wel het verschil tussen een wetenschappelijke
en een onwetenschappelijke houding. Zoals de wetenschapshistoricus Floris Cohen
benadrukt, draait het in de wetenschap om het verschil tussen beweren en bewijzenF. Cohen, De herschepping van de wereld. Het
ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard
, Amsterdam: Bert Bakker 2008.
. Wie een wetenschappelijke attitude aanneemt, neemt geen genoegen met beweringen en veronderstellingen, maar tracht deze aan te tonen of op zijn minst aannemelijk te maken, of anders te weerleggen. Een wetenschappelijke attitude sluit niet uit dat men behept is met ingesleten denkbeelden, maar wel dat men willens en wetens zijn ogen sluit voor onwelgevallige informatie. Ook het streven naar ordening en systematisering van kennis,
of dit nu gebeurt in de vorm van theorieën of juridische leerstukken, is kenmerkend voor
een wetenschappelijke instelling, evenals het controleerbaar maken van de gepresenteerde
informatie, bijvoorbeeld door middel van een beschrijving van het uitgevoerde
experiment of door middel van een notenapparaat.

Het object van de rechtsgeleerdheid
De stelling dat de rechtsgeleerdheid geen wetenschap is, zou overtuigend zijn indien
het object van de rechtsgeleerdheid zich niet leent voor een wetenschappelijke studie.
Het object van de rechtsgeleerdheid is het (geldend) recht. Dit onderwerp leent zich wel
degelijk voor wetenschappelijke benaderingen, en wel vanuit een grote diversiteit van
invalshoeken. Men kan de historische wortels van het geldend recht bestuderen (rechtsgeschiedenis), het geldend recht in verschillende landen met elkaar vergelijken (rechtsvergelijking), bestuderen in hoeverre er in de samenleving, naast het van overheidswege
vastgestelde en gesanctioneerde recht, andere, groeps- en cultuurgebonden rechtsregels
bestaan (rechtsantropologie), de conceptuele structuur van het geldend recht expliciteren
(rechtstheorie), onderzoeken hoe het geldend recht zich verhoudt tot rechtvaardigheidstheorieën
(rechtsfilosofie), de logische structuur van rechtsregels en rechterlijke uitspraken analyseren (rechtslogica), onderzoeken wat de maatschappelijke effecten van het geldend recht zijn of bestuderen in hoeverre er een verschil is tussen ‘law in the books’ en ‘law in action’ (rechtssociologie), enz. enz. Het recht laat zich op tal van wijzen wetenschappelijk benaderen. Dit geldt ook voor de rechtsdogmatische studie van het geldend recht. Elders heb ik laten zien dat juridische leerstukken die in de literatuur worden geëxpliciteerd en ontwikkeld, zich laten duiden als rationele reconstructies van het geldend recht en daarmee tegelijkertijd zowel beschrijvend als normatief zijn. In dit opzicht vertoont de rechtswetenschap een methodologische verwantschap met bijvoorbeeld logica en argumentatietheorie, die in wezen rationele reconstructies zijn van wat we intuïtief beschouwen als sluitend dan wel deugdelijk redeneren. Er is dan ook geen steekhoudende grond om rechtsdogmatiek een wetenschappelijk karakter te ontzeggenJ.W.A. Fleuren, ‘Rechtswetenschap en rationele reconstructie. Een bijdrage aan het debat over methoden van rechtsgeleerd onderzoek’, in: Y. Buruma e.a. (red.), Op het rechte pad. Liber amicorum Peter J.P. Tak, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2008, p. 25-46..

All in the Family
Door ‘hulpwetenschappen’ als rechtsgeschiedenis, rechtsfilosofie, rechtstheorie,
rechtsmethodologie, rechtslogica, rechtssociologie, rechtsantropologie, rechtspsychologie,
rechtseconomie, criminologie, enz. weet de rechtsgeleerdheid zich verbonden met
disciplines als - ik pretendeer geen volledigheid - de geschiedwetenschap, de wijsbegeerte,
de sociologie, de antropologie, de psychologie, de economie, de statistiek en de
biologie. Door deze hulpwetenschappen is de rechtsgeleerdheid stevig verankerd in de
familie der wetenschappen en in staat om boven het beschrijven, expliciteren en systematiseren
van het geldend recht uit te stijgen. Zo kan een rechtshistorische studie bijvoorbeeld
een in de rechtswetenschap ingeslepen mythe doorprikken Een voorbeeld is K.M. Schönfeld, Montesquieu en ‘la bouche de la loi’ (diss. Leiden), Leiden: New Rhine Publishers 1979.of laten zien hoe
de interpretatie van een rechtsfiguur of een wettelijk voorschrift zich in de loop van de
tijd heeft ontwikkeldZie bijvoorbeeld A.F. Salomons, De interpretatiegeschiedenis van art. 2014 BW (1838-1945), Deventer: FED 1990.. Een filosofische klassieker kan een inspiratiebron zijn voor de oplossing van een actueel rechtsprobleemZie bijvoorbeeld F.S. Bakker, ‘Misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur. Hoe de rechter dit kan aanpakken’, Nederlands Juristenblad 2014, afl. 3, p. 170-177, waar aan de hand van de reeds door Aristoteles geformuleerde theorie dat de wet noodzakelijk algemeen van aard is en dat derhalve de billijkheid met zich kan brengen dat de wet buiten
toepassing moet blijven in uitzonderlijke gevallen waarvoor de wet niet is geschreven, de rechter een oplossing wordt aangereikt voor de beoordeling van WOB-verzoeken die worden gedaan met het doel om de dwangsom te innen die het bestuursorgaan verbeurt als het niet tijdig op het verzoek reageert.
, of nieuw licht werpen op de strekking van een in de rechtsgeleerdheid gebruikelijke notieZie bijvoorbeeld J.W.A. Fleuren, ‘Wetshistorische interpretatie en de bedoeling van de wetgever’,
in: P.P.T. Bovend’Eert e.a. (red.), De staat van wetgeving. Opstellen aangeboden aan prof. mr. C.A.J.M. Kortmann, Deventer: Kluwer 2009, p. 153-174, waar aan de hand van de Philosophische Untersuchungen van Wittgenstein (1957) wordt blootgelegd wat
juristen bedoelen met ‘de bedoeling van de wetgever’.
. Een rechtstheoretisch onderscheid kan de sleutel leveren voor de beantwoording van een vraag van positief rechZie bijvoorbeeld J.B. Mus, Verdragsconflicten voor de Nederlandse rechter (diss. Utrecht), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 87, waar de auteur aan de hand van het door Hart in The Concept of Law (1961)
gemaakte onderscheid tussen ‘primary rules’ en ‘secondary rules’ laat zien dat de Nederlandse rechter verdragsconflicten zo mogelijk moet oplossen aan de hand van de volkenrechtelijke bepalingen daarover, maar dat daarop het onderscheid tussen een ieder verbindende en niet een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties (art. 93 en 94 Gw) niet van toepassing is.
t. Steeds
weerblijken nieuwe invalshoeken voor verfrissende inzichten te zorgen. De rechtsgeleerdheid
zal verschrompelen wanneer zij zich in het keurslijf van de empirische wetenschappen
laat persenOnlangs hebben Van Klink en Poort een lans gebroken voor een herwaardering van het normatieve karakter van de rechtswetenschap: B.M.J. van Klink & L.M. Poort, ‘De normativiteit van de rechtswetenschap.
Een pleidooi voor meer reflectie op de normatieve basis van het recht en de rechtswetenschap’, Rechtsgeleerd Magazijn Themis 2013, afl. 6, p. 258-267.
.

De neiging van sommigen om het begrip wetenschap te beperken tot de empirische
wetenschappen, heb ik nooit begrepen. Zij doet op geen enkele wijze recht aan de verwevenheid
van, en wisselwerking tussen, de vele academische disciplines. Wat zou de
natuurkunde zijn zonder de wiskunde? En schieten we er iets mee op om de wiskunde
niet onder de wetenschappen te scharen, louter omdat zij niet empirisch van aard is?
Hoe empirisch is het gedachte-experiment eigenlijk? Moeten we dit nu als onwetenschappelijk
afdoen? Voor mij is wetenschap wezenlijk verbonden met rationaliteit. Dit
betekent dat uitspraken over de (fysische of maatschappelijke) werkelijkheid zo mogelijk
aan de hand van empirisch onderzoek onderbouwd en getoetst moeten worden, niet dat
uitsluitend empirisch onderbouwde of toetsbare uitspraken wetenschappelijk zijn.

Wetenschappelijker
Overigens verschillen Koen van Vught en ik uiteindelijk misschien toch minder van
mening dan op het eerste gezicht lijkt. Aan het slot van zijn artikel pleit hij ervoor om
de rechtsgeleerdheid wetenschappelijker te maken en blijkt hij het toch voor mogelijk te
houden dat de rechtsgeleerde een wetenschapper is. Tegen (nog) méér wetenschap in de
rechtsgeleerdheid heb ik geen bezwaar. Daarbij moet wel steeds de eigen aard van deze
discipline voor ogen worden gehouden. Wanneer aan universiteiten werkzame juristen,
uit angst om voor onwetenschappelijk versleten te worden, zich bijvoorbeeld zouden
gaan onthouden van het doen van evaluatieve uitspraken over het geldend recht en het
doen van voorstellen voor verbetering, dan zou de rechtsgeleerdheid ontzield raken.
De rechtswetenschapper wordt dan een boekhouder, die wetswijzigingen en nieuwe
jurisprudentie keurig bijschrijft in zijn kasboek (de kroniek) en af en toe de balans (het
overzichtsartikel) opmaaktDe metafoor van de boekhouder is geïnspireerd door R. von Jhering, Ist die Jurisprudenz eine Wissenschaft?, aus dem Nachlaß herausgegeben von O. Behrends, Göttingen: Wallstein Verlag 1998, p. 90.. Dat laat uiteraard onverlet dat evaluatieve uitspraken en voorstellen voor verbetering onderbouwd moeten zijn met rationele argumenten en overwegingen, waarbij de resultaten van bijvoorbeeld empirisch onderzoek een rol kunnen spelen. Voor zover het debat over de status en methoden van de rechtsgeleerdheid haar kwaliteit versterkt, juich ik dit debat toe. We moeten er echter voor waken dat dit debat de rechtsgeleerdheid verschraalt.

Ik besluit deze discussiebijdrage met een citaat van de al genoemde wetenschapshistoricus
Floris Cohen, dat ik volledig onderschrijf:

‘In elk afzonderlijk vakgebied rust op haar beoefenaren de taak om zelfbewust, zonder
scheel te zien naar een tegelijk geminachte en benijde natuurwetenschap, de eigen
maatstaven te ontwikkelen dan wel te versterken. [...] In elke wetenschap die die eretitel
waard is, van kernfysica tot de literatuurgeschiedenis, zijn er middelen om uit te stijgen
boven het zomaar wat roepen. Die middelen behoeven regulering naar eigen maatstaven,
die zich laten benoemen en toelichten en redelijk verdedigen zonder daarbij een beroep
te doen op hoe het elders toegaatCohen, De herschepping van de wereld, p. 278..’