Persoonlijke stage-ervaringen: Loyens & Loeff

Rens Markus
R.L. Markus is masterstudent burgerlijk- en ondernemingsrecht aan de Radboud Universiteit

In deze bijdrage zal ik ingaan op mijn persoonlijke ervaringen ten aanzien van mijn student-stage van twee maanden bij Loyens & Loeff in Rotterdam. Deze bijdrage is er met name op gericht inzicht te geven in het soort zaken dat je als student-stagiair behandelt.

Hoe kwam ik er terecht?
Na de tijd genomen te hebben om in de zomer nog vakantie te kunnen vieren, ben ik in september begonnen aan de eerste van mijn twee stages. Mijn eerste stage heb ik gelopen bij Loyens & Loeff in Rotterdam. Nu rijst wellicht de vraag hoe ik hier terecht ben gekomen. Dat is
eigenlijk vrij soepel verlopen; ik zag een advertentie voor de Business Course naar Parijs en kreeg na deze Business Course de mogelijkheid om stage te lopen. Een dergelijke mogelijkheid wijs je natuurlijk niet snel van de hand. De keuze voor Rotterdam heb ik met name gemaakt omdat hier de mogelijkheid bestaat gebruik te maken van een appartement dat Loyens & Loeff beschikbaar stelt voor studenten uit de uithoeken van ons land.

Welke secties?
Bij Loyens & Loeff is de stage in twee stukken gedeeld. De eerste maand loop je op een bepaalde sectie stage, de volgende maand op een andere sectie. Ik was er gelukkig vroeg bij, waardoor ik nog volop kon kiezen tussen de secties (latere sollicitanten hadden minder geluk: de keuze werd voor hen gemaakt). Voor mij was de keuze snel gemaakt. Ik ben vanaf het derde jaar met name geïnteresseerd in het ondernemingsrecht. Tijdens de Business Course had ik daarnaast kennisgemaakt met enige praktijk rondom de sectie M&A (Mergers & Acquisitions; ofwel fusies en overnames). Mijn eerste sectiekeuze was dan ook gemakkelijk gemaakt. Ik wilde immers weleens zien hoe grote transacties nu daadwerkelijk tot stand komen. Naast M&A, wat natuurlijk het schoolvoorbeeld van een transactiepraktijk is, heb ik gekozen om de procespraktijk
rondom het ondernemingsrecht te zien. Voor mijn tweede maand heb ik daarom gekozen voor de sectie Corporate Litigation (ofwel ondernemingsrecht procespraktijk).

Maand 1: M&A
Kennismaking

Voordat ik aan mijn eerste maand begon, had ik, zoals ik hierboven al aangaf, reeds globaal kennis gemaakt met de sectie M&A. Deze kennis kwam er feitelijk op neer dat ik wist waar de benaming M&A voor stond, en de Nederlandse vertaling hiervan. Al met al: weinig kennis, dus veel nieuwe ervaringen. Ook de op de sectie werkzame advocaten kende ik niet, omdat naar de Business Course slechts Amsterdamse M&A-advocaten mee waren geweest. Enkel mijn begeleider voor de eerste maand had ik gesproken, bij mijn sollicitatiegesprek voor de Business
Course. De eerste dagen was het vanzelfsprekend nogal wennen. Wat echter meteen al erg leuk was, was de grote groep student-stagiairs. Het grotere aantal student-stagiairs heb ik zeker een voordeel gevonden aan het stage lopen bij een groot kantoor.

Al snel na de eerste, ietwat onwennige, dag begonnen de opdrachten binnen te stromen. Dit waren niet alleen opdrachten voor de sectie M&A, maar ook voor de sectie Energy, die daar gedeeltelijk overlapt met M&A. De sectie Energy richt zich met name op vertegenwoordiging van
de grotere, op energie gerichte, ondernemingen. Het is een procespraktijk, waar met name het bestuursrecht een grote rol speelt. Hieronder volgt een aantal voorbeelden van memo’s die ik in september heb geschreven, om een idee te geven van de opdrachten waar ik mee bezig ben
geweest.

Specifieke opdrachten
Tegenstrijdig belang

Al op een van mijn eerste dagen, na een aantal literatuur-zoek-klusjes voltooid te hebben, kreeg ik van één van de partners een mail van de Legal-afdeling van een bekende multinational onder ogen, met de vraag of ik antwoord wilde geven op deze vragen. Mijn antwoorden zouden vervolgens in een conference call aan de betreffende afdeling worden uitgelegd. Allereerst wil ik
aangeven dat dit evident enige druk met zich brengt. Niet alleen het feit dat (je in ieder geval het idee hebt dat) op jouw antwoorden wordt afgegaan bij het adviseren van een multinational, maar ook de tijdsdruk die onlosmakelijk verbonden is met het beantwoorden van deze vragen. Zo
moest deze opdracht binnen een halve dag af. Zelf ervaar ik deze druk juist als positief, maar dit is zeker iets dat meegenomen dient te worden bij de persoonlijke afweging van het al dan niet stage lopen bij een groot kantoor. De opdracht die ik kreeg, zag op de nieuwe tegenstrijdig
belangregeling die in Nederland is ingevoerd. Het ging met name om de positie van een bestuurder bij een andere vennootschap van het concern, die deel uit zou gaan maken van de RvC van een nieuw op te richten vennootschap. De vraag was met name of en wanneer sprake zou kunnen zijn van een tegenstrijdig belang van deze, nog te benoemen, commissaris.Na een uurtje langer te hebben doorgewerkt (een normale dag was van 9 tot 18 uur), heb ik het memo afgeschreven. In het memo ben ik met name ingegaan op het kwalitatieve aspect (de functie die een persoon vervult als bestuurder bij een concernvennootschap) dat op zichzelf nog geen tegenstrijdig belang meebrengt. Volgens de nieuwe regeling brengen immers slechts een direct en indirect persoonlijk belang een ongeoorloofd tegenstrijdig belang met zich. Als hij vanuit zijn kwaliteit (als bestuurder) bijvoorbeeld zijn eigen bezoldiging als commissaris zou kunnen verhogen, zou dit evident een ongeoorloofd tegenstrijdig belang met zich brengen. Van de vergadering en besluitvorming over een dergelijk punt zal hij zich moeten onthouden.

Na het memo lichtelijk vertwijfeld te hebben opgestuurd, kreeg ik de volgende dag gelukkig te horen dat het goed was. Ik kon bij de conference call aanschuiven, waar zo ongeveer mijn gehele stuk werd gebruikt om de zaak aan de cliënt uit te leggen. Dit is een voorbeeld van iets dat mij de indruk gaf dat er ook echt iets gedaan wordt met hetgeen je als student-stagiair uitzoekt en je niet enkel stapels papier volschrijft die vervolgens in een donker hoekje van de kast terecht komen.

Aansprakelijkheid voor mijnbouwwerken
Een voorbeeld van een memorandum dat ik voor Energy geschreven heb, ging over de kwalitatieve aansprakelijkheid voor mijnbouwwerken. Dit was, zoals bij bijna iedere opdracht die ik van deze sectie gekregen heb, een onderwerp waar ik vooraf absoluut niets van wist. Het
Energygebied vormt in praktijk zó een niche dat aan de voor deze sectie van belang zijnde onderwerpen geen enkel woord wordt vuilgemaakt tijdens colleges op de universiteit. Dergelijke onderwerpen leveren hierdoor een extra uitdaging op en leverden voor mij nogmaals bewijs dat de universiteit (bijna) alleen van belang is voor het ontwikkelen van een academische denkwijze
en niet zozeer voor het opdoen van inhoudelijke kennis. In praktijk maken feiten iedere zaak, waardoor het ook onmogelijk is vanuit de studie een afdoende inhoudelijke kennis te bezitten. Door op zoek te gaan naar literatuur en jurisprudentie is het uiteindelijke mogelijk een antwoord
op concrete vragen te geven.

Het memo dat mij gevraagd werd te schrijven diende, zoals ik hiervoor aangaf, te gaan over de risicoaansprakelijkheid van de exploitant van een mijnbouwwerk zoals deze is opgenomen in artikel 6:177 BW. Dit memorandum gebruikt de advocate waar ik de opdracht van kreeg
eventueel voor haar bijdrage in een boek. Ik ben in het betreffende memo op alle afzonderlijke bestanddelen van het artikel ingegaan. Ten behoeve van de lengte van deze bijdrage zal ik enkel ingaan op het bestanddeel ‘exploitant van een mijnbouwwerk’. Ik ben bij de benadering van dit bestanddeel met name ingegaan op de eventuele kwalitatieve aansprakelijk van EBN (Energie Beheer Nederland B.V.). EBN is een vennootschap die namens de Staat verplicht deelneemt in
mijnbouwprojecten. Dit is vastgelegd in afdeling 5.2 van de Mijnbouwwet. De vraag of EBN een exploitant in de zin van artikel 6:177 BW is, is met name interessant omdat EBN, en daarmee de Staat, aangesproken zou kunnen worden voor uit de mijnbouwwerkzaamheden voortvloeiende
schade. Daarnaast kan uit hoofde van artikel 6:177 BW uiteraard de vergunninghouder worden aangesproken. In de praktijk zijn meerdere vennootschappen gezamenlijk vergunninghouder, omdat het risico en het benodigde kapitaal bij het winnen van de delfstoffen voor de afzonderlijke vennootschappen simpelweg te hoog zijn. Deze gezamenlijke vergunninghouders zijn op grond van de eerste definitie van exploitant reeds in dit artikel vervat. Het probleem zou echter kunnen rijzen dat bij zeer grote schadebedragen, zoals nog al eens voorkomt bij schade door mijnbouwwerkzaamheden, deze vennootschappenonvoldoende verhaal bieden. Daarom is de vraag of EBN aangesproken kan worden van wezenlijk belang.

In dit geval was de opdracht niet op opsporingswerkzaamheden (§5.2.2 Mijnbouwwet), maar op mijnbouwwerkzaamheden gericht (§5.2.3 Mijnbouwwet). Met betrekking tot mijnbouwwerkzaamheden is in artikel 94 Mijnbouwwet bepaald dat de gewonnen koolwaterstoffen,
waar het in casu om ging, door de vergunninghouder voor 40% in eigendom overgedragen dienen te worden aan EBN. Daarnaast dienen werken die voor de overeenkomst tot stand zijn gekomen voor 40% in eigendom te worden gebracht van EBN. Dit gebeurt krachtens een amenwerkingsovereenkomst tussen de gezamenlijk vergunninghouders en EBN.

Deze vraag is interessant, omdat in artikel 6:177 lid 2 BW de volgende definitie van een, aan te spreken, exploitant geeft:

In dit artikel wordt onder exploitant van een mijnbouwwerk verstaan:

a. de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de Mijnbouwwet, die een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen dan wel in gebruik heeft;

b. een ieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen dan wel in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a, tenzij hij in opdracht van een ander handelt die houder is van een vergunning als vorenbedoeld dan wel, indien die ander dat niet is, hij daarmee niet bekend was of behoorde te zijn.

Zoals hierboven reeds aangegeven is EBN geen vergunninghouder, maar neemt zij slechts deel krachtens een samenwerkingsovereenkomst, en zijn er daarnaast vaak meerdere gezamenlijk vergunninghouders. Zij valt dus niet onder de eerste definitie van ‘exploitant’.Bij de vraag of zij onder de tweede definitie valt, moge duidelijk zijn dat EBN geen ondergeschikte is. Zij is 40%-
deelnemer in het project en hoeft op geen enkele manier orders van de vergunninghouder op te volgen. Daarnaast is EBN niet betrokken bij het aanleggen dan wel doen aanleggen van het mijnbouwwerk. Vervolgens resteert de vraag of EBN te zien is als gebruiker van het mijnbouwwerk. De advocate van wie ik deze opdracht kreeg, had mij vooraf gezegd dat zij van mening was dat EBN niet te zien was als exploitant. Dit zat mij echter dwars, waardoor ik hier nader naar ben gaan kijken. Vervolgens kwam ik een stuk tegen van een kantoorgenoot die heel kort aangaf dat naar haar mening EBN wel aangesproken kon worden op grond artikel 6:177 BW (C.L. Klapwijk, ‘De (kwalitatieve) aansprakelijkheid voor schade door een blow out of bodembeweging’, V&O 2011/9, p. 163). Dit geeft maar aan dat ook binnen een sectie de opvattingen over een bepaalde interpretatie kunnen verschillen.

Naar aanleiding hiervan ben ik verder gaan zoeken. Ik kwam uiteindelijk tot de conclusie dat EBN te zien is als gebruiker van het mijnbouwwerk omdat gebruik in de parlementaire geschiedenis van met name de mijnbouwwet en artikel 6:177 BW, maar ook in overige parlementaire geschiedenis, ruim wordt geïnterpreteerd. Het enkel (deels) in eigendom hebben van een bepaald goed leidt als snel tot het gebruik van het goed. Omdat EBN hier deels eigenaar is van de werken en zij ook 40% van de koolwaterstoffen in eigendom verkrijgt, kwam ik tot de conclusie dat EBN wel degelijk als exploitant in de zin van artikel 6:177 te zien is. Dit leidt ertoe dat EBN vanuit deze kwaliteit hoofdelijk aansprakelijk te stellen is voor schade veroorzaakt door mijnbouwwerken. Zij kan vervolgens wel (wegens contractuele bepalingen in de samenwerkingsovereenkomst) regres nemen op de gezamenlijk vergunninghouders. Zoals ik eerder al aangaf zal de schade vaak aanzienlijk zijn, waardoor er een grote kans bestaat dat EBN, en dus de Staat, voor een groot deel van de schade zal moeten opdraaien.

Algemene indruk
Zoals uit het bovenstaande reeds blijkt heb ik de eerste maand aan erg uiteenlopende opdrachten gewerkt. Dit heb ik zelf als erg interessant ervaren, juist omdat ik in aanraking kwam met vragen en rechtsgebieden waar ik nauwelijks van gehoord had. Daarnaast blijken sommige
rechtsgebieden in praktijk een stuk interessanter dan ik vooraf dacht (bestuursrecht). Verder vond ik het erg leuk om te zien hoe aan grote deals gewerkt werd en om te zien met hoeveel enthousiasme en toewijding dit gebeurt.

Maand 2: Corporate Litigation
Bij aanvang van de tweede maand werd ik verwacht op de sectie Corporate Litigation. Zoals ik in het inleidend deel reeds aan heb gehaald, is dit een sectie die niet gericht is op transacties tot stand brengen, maar is het een procespraktijk. Zoals het woord eigenlijk al aangeeft, komen
zaken pas bij deze sectie als er sprake is van een geschil. Voor mij was het qua opdrachten erg wennen. Nadat ik mijn laatste opdrachten voor M&A had afgerond kreeg ik vooral te maken met procesrechtelijke vraagstukken. Bij het uitzoeken van deze opdrachten kwam ik erachter dat ik hier ten eerste nog weinig van afwist en ten tweede het antwoord een stuk lastiger te vinden is. Ik denk dat het procesrecht bij uitstek een ‘rechtsgebied’ is dat in de praktijk ontdekt dient te worden en in een maand slechts het aller bovenste topje van de ijsberg kan worden doorgrond. Het voordeel van deze sectie heb ik gevonden dat je als student-stagiair bezig bent met concrete zaken, waardoor je beter zicht hebt op jouw persoonlijke bijdrage aan het eindresultaat dan bij een opdracht die gebruikt wordt als achtergrondinformatie bij een grote deal. Daarnaast ben
ik mee geweest naar zittingen waar ik vooraf zaken voor had uitgezocht. Op die manier wist ik waar de zaak over ging en had ik hier zelf ook een (uiteraard relatief kleine) bijdrage aan geleverd. Zo kreeg ik bijvoorbeeld een tiental mails van ontevreden producenten onder ogen waarna
mij gevraagd werd hier een goedlopend verhaal voor in de pleitnota van te maken.

Specifieke zaken
Helaas hebben veel van de opdrachten die ik heb uitgevoerd deze maand direct betrekking op zaken die op dit moment nog onder de rechter zijn. Om die reden kan ik niet nader op specifieke zaken ingaan.

Algemene indruk
Zoals hiervoor aangegeven, vond ik het erg waardevol om ook de procespraktijk achter het ondernemingsrecht te ervaren in mijn tweede maand. Ondanks dat de procespraktijk voor mij persoonlijk nog vele uitdagingen met zich brengt ben ik ook hier enthousiast over geworden.
Met name de zeer directe relatie tussen de opdrachten die ik kreeg en de uiteindelijke procesvoering vond ik leuk om mee te maken.

Slotwoord
De twee maanden bij Loyens & Loeff zijn voor mij twee zeer waardevolle maanden geweest, waarin ik een gedegen beeld heb opgedaan van de hedendaagse (ondernemingsrecht)
advocatuur bij een groot Nederlands kantoor. Al verschillen de taken, en met name de verantwoordelijkheden van een student-stagiair nogal van die van een advocaat-stagiair, toch vormen de werkzaamheden en met name de kijk in het werkend leven van de advocaten
een zeer waardevolle bijdrage bij het uitstippelen van het persoonlijk carrièrepad. Naast de juridische aspecten, waar ik in deze bijdrage vooral op inga, heb ik deze twee maanden ook erg gezellig gevonden. Ik zou iedere student willen aanraden zich te oriënteren op een dergelijke stage omdat dit een goede mogelijkheid biedt om te kijken wat de advocatuur in praktijk inhoudt. Bij het solliciteren naar een stage blijft ‘wie niet waagt, wie niet wint’ mijns inziens een waardevol devies.