Recht en wetenschap revisited. Naschrift bij Fleuren, 'All in the Family' over de wetenschappelijke status van de rechtsgeleerdheid'

Koen van Vught
K.A.M. van Vught is student van de onderzoeksmaster Onderneming & Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Eerder uitte ik in dit blad mijn twijfels over het wetenschappelijk gehalte van de rechtsgeleerdheid. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk een wetenschapsbegrip te vinden dat de rechtsgeleerdheid omvat. Deze bijdrage leidde tot een stuk van Joseph Fleuren in het vorige nummer van dit blad, waarin hij de rechtsgeleerdheid verdedigde. Aan mij de eer om zijn scherpe, erudiete reactie van kanttekeningen te voorzien.

Nut en noodzaak van een eenduidige definitie
De kern van de wetenschappelijke arbeid is het verzamelen van kennis om de wereld om ons heen te verklaren. Van cruciaal belang daarbij is de gebruikte methode. Om te waarborgen dat bepaalde kennis ‘juist’ is, dient de wetenschapper een objectieve, falsificeerbare en op de empirie gerichte methode hanteren, zo schreef ik in mijn eerdere bijdrage. Op die manier weten we zeker dat de aarde rond is. Daargelaten sceptisch epistemologische opvattingen, die inhouden dat we nooit zeker kunnen weten of wat we waarnemen correspondeert met de werkelijkheid. Zijn wij niet allen hersenen in een vat? Vgl. D.C. Dennet, Het bewustzijn verklaard, Amsterdam: Contact 1995, p. 15.
Dat geldt evenzo voor het feit dat veel wetsovertreders niet rationeel reageren op een sanctie M.E. O’Neill, ‘The biology of irrationality: crime and the contingency of deterrence’, in: F. Parisi & V.L. Smith (red.), The law and economics of irrational behavior, Stanford, CA: Stanford University Press 2005, p. 304. en dat – om maar wat te noemen – co-ouderschap voor het kind niet beter is dan een opvoeding door één ouder. Zie M.V. Antokolskaia, ‘Van politiek gestuurde wetgeving naar evidence-based wetgeving – perspectieven vanuit het familierecht’, in: W.H. van Boom, I. Giesen & A.J. Verheij (red.), Capita civilologie: handboek empirie en privaatrecht (tweede druk), Den Haag: Boom 2013, p. 182 e.v.
Kortom: om ‘echte’ kennis van dogma’s te onderscheiden, is een definitie van wetenschap van belang. Alleen een wezenlijk onderscheidende definitie scheidt het pseudowetenschappelijke kaf van het wetenschappelijke koren. Dit is in het bijzonder van belang gezien het gezag dat aan de wetenschap wordt toegedicht Vergelijk wat Paul Scholten hierover opmerkt in zijn Algemeen deel; Asser-Scholten 1974, nr. 20. . Zoals Paul Scholten al schreef: ‘[d]e wetenschap krijgt gezag in deze zin, dat de massa haar volgt en als onomstotelijk accepteert’ Asser-Scholten (Algemeen deel) 1974, nr. 20. . Zonder een strak omlijnd wetenschapsbegrip is het moeilijk onderscheiden tussen de Biostabil 2000 en Astro TV enerzijds, en de onderzoeken van Isaac Newton anderzijds. Gevolg is dat de wetenschap door pseudowetenschap vervuild raakt.
Of de rechtsgeleerdheid een wetenschap is, moet dus afhangen van de vraag of zij kan voldoen aan wetenschappelijke maatstaven. Anders dan Fleuren poneert, is het dan ook niet onjuist om de rechtsgeleerdheid langs dezelfde maatstaf te leggen als andere disciplines. Het belang van een eenduidige definitie is immers te groot – in ieder geval te groot om met de definitie te sjoemelen. Staan we toe dat de rechtsdogmatiek zich tooit met het predicaat ‘wetenschap’, dan verkrijgen haar uitspraken dezelfde waarde als natuurkundige wetten. Ten onrechte, dunkt mij.
Fleuren lijkt toch waarde te hechten aan een eenduidige definitie, als hij zegt dat – ik parafraseer – een wetenschappelijke houding bepaalt of van wetenschap sprake is. Is dit niet hetzelfde als het stellen van eisen op het vlak van objectiviteit, falsificeerbaarheid enzoverder? Overigens zou een groot deel van de rechtsgeleerdheid ook in deze definitie niet als wetenschap kwalificeren. Er zijn natuurlijk uitzonderingen De werken die Fleuren aanhaalt, zijn inderdaad mooie combinaties van juridische dogmatiek en empirische onderzoeken. Zelf zou ik nog willen wijzen op het prachtige boek van Van Boom, Giesen en Verheij, eerder aangehaald, over de empirie en het privaatrecht. Ook vermeldenswaardig – zonder anderen te kort te willen doen – is het artikel van Van Boom over de wenselijkheid van nietigheden bij strijd met het financiëletoezichts- recht (Van Boom, ‘Financiëletoezichtwetgeving en nietige overeenkomsten’, Vermogensrechtelijke analyses 2006-1, p. 5-36). Zie ten slotte ook enkele van de voorbeeldige Nijmeegse proefschriften, beschreven in J.W.A. Fleuren & T. Havinga, Voorbeeldige proefschriften: beschouwingen over inspirerende rechtsgeleerde dissertaties (derde editie), Nijmegen: WLP 2014. , maar het gros van de juristen bekommert zich niet of nauwelijks om een wetenschappelijke houding. Veel juristen personificeren zich met het object van onderzoek, gebruiken hun autoriteit om een bepaald standpunt te bepleiten Typisch te herkennen aan het gebruik van zinsneden als ‘mijns inziens’, ‘naar mijn stellige overtuiging’ en ‘naar algemeen is aanvaard’. en wagen zich niet aan kritiek op de (fundamentele) uitgangspunten van het recht. Zij beschrijven wat autoriteiten (de Hoge Raad, de wetgever) hebben gezegd, verwoorden hun eigen mening en gaan niet veel verder.Ik chargeer hier enigszins. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, en natuurlijk is een empirische, rechtsvergelijkende of rechtseconomische benadering niet altijd van nut. Ook zuiver dogmatisch onderzoek kan zeker nuttig zijn, al is het lastig dit als wetenschap te beschouwen.
Wetenschappelijk is zo een houding niet te noemen. Dat het studie-object van de rechts- geleerdheid zich leent voor wetenschappelijke studie, maakt dit niet anders.

De ‘methoden’ van de rechtsgeleerdheid
Zelfs al zou men geen eenduidig wetenschapsbegrip hanteren, is een groot deel van de rechtsgeleerdheid geen wetenschap. Misschien is het waar, zoals Fleuren stelt, dat elke discipline zelf haar methoden van onderzoek moet bepalen en in zoverre wetenschappelijk is. Maar hierin is de rechtsgeleerdheid nu juist niet geslaagd. Ook al bestaan wel doorwrochte beschouwingen over de rechtsgeleerde methoden In het bijzonder het reeds aangehaalde Algemeen deel van de Asser, geschreven door Paul Scholten; Asser-Scholten 1974. , van een wetenschappelijke juridische methodiek is nauwelijks te spreken.
Ten eerste zijn de ‘methoden’ van de rechtsgeleerdheid nauwelijks te beschouwen als vaste methoden. De wetshistorische methode bijvoorbeeld, waarbij voor de interpretatie van een wet gekeken wordt naar de parlementaire geschiedenis, biedt geen zekere uitkomsten. Elke jurist interpreteert die geschiedenis weer anders. De parlementaire geschiedenis is daarom vaak een grabbelton: in de bladzijden van Handelingen en Kamer- stukken kan steun gevonden worden voor vele, uiteenlopende standpunten.
Ten tweede bestaat geen rangorde tussen de verschillende rechtsgeleerde methoden. De jurist gebruikt nu eens een rechtshistorische methode, dan weer een grammaticale methode. En als de uitkomst dan nog niet bevalt, is er altijd nog de anticiperende methode om een en ander recht te breien. De keuze voor een bepaalde methode is vaak willekeurig; zij wordt in veel juridische geschriften niet expliciet verantwoord. Er is dan ook geen objectieve methode om te bepalen welke methode moet worden gehanteerd. Dit maakt de uitkomsten van veel juridisch onderzoek onzeker, en de ingenomen standpunten aanvechtbaar.
Ten derde heeft de rechtsgeleerdheid nu juist op een cruciaal punt geen enkele methode ontwikkeld. Hoewel de rechtsgeleerdheid vaak steunt op een casuïstische, feitelijke benadering, kent zij geen methode om de feiten vast te stellen. Zo leren rechtenstudenten het recht vooral kennen in werkgroepen, aan de hand van gegeven casusposities. Zij hoeven evenwel vrijwel nooit de vraag te beantwoorden hoe de relevante feiten zijn vast te stellen. De feiten zijn immers gegeven.