De grondslag van partneralimentatie in Nederland

Bastiaan Schuur
Mr. B. Schuur is alumnus van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Voor de relatief jonge lezer onder ons is partneralimentatie een niet alledaags onderwerp. Toch is dit iets wat veel mensen bezig houdt. Uit cijfers blijkt dat één op de drie huwelijken eindigt in een echtscheiding. In slechts 15 tot 20 procent van de echtscheidingsprocedures wordt een recht op partneralimentatie toegekend aan een van de voormalige huwelijkspartners. Een theoretische vraag die hierbij gesteld dient te worden is: wat is de grondslag van dit recht op partneralimentatie? Anders gezegd: waaraan ontleent iemand een recht op partneralimentatie? Een duidelijk antwoord op deze vraag draagt onder andere bij aan de acceptatie aan de zijde van de alimentatieplichtige. Duidelijker is waarom hij een bepaald bedrag verschuldigd is aan zijn voormalige echtgenoot. Wat de essentie is van dit leerstuk en waarom deze vraag gesteld dient te worden, maak ik hierna duidelijk.

De vraag rijst wat de grondslag is van partneralimentatie en of die nog wel van deze tijd is? Om antwoord te geven op deze vragen geef ik een overzicht van het huidige stelsel omtrent partneralimentatie, vervolgens bespreek ik de parlementaire en de literaire discussie over dit onderwerp en behandel ik de twee voorstellen die in de politiek zijn gedaan om het wettelijke systeem omtrent partneralimentatie te wijzigen. Tot slot schets ik de stelsels van partneralimentatie in België en Duitsland. In de conclusie kom ik terug op de hoofdvraag van deze bijdrage: wat is de grondslag van partneralimentatie en is die nog wel van deze tijd.

De stand van zaken
De cijfers spreken voor zich. In slechts een klein percentage van het aantal echtscheidingen wordt een recht op partneralimentatie toegekend. Dit neemt niet weg dat het onderwerp op de politieke agenda staat en dat er een luide roep klinkt om het partneralimentatierecht ingrijpend te wijzigen. Kamerstukken II 2011/12, 28 867, nr. 24.Aangevoerd wordt dat de huidige duur van de onderhoudsuitkering te lang zou zijn en dat de prikkel voor de alimentatiegerechtigde om in het eigen levensonderhoud te voorzien, niet of in te beperkte mate aanwezig zou zijn. Tevens wordt betoogd dat de hoogte van het te betalen bedrag aan alimentatie lastig te wijzigen is. Dit laatste probleem wordt onder andere veroorzaakt door de lastige berekenmethode en de opvatting dat het welstandsniveau van de partners tijdens het huwelijk het uitgangspunt dient te zijn bij de berekening van het bedrag aan partneralimentatie.Kamerstukken II 2011/12, 33 311, nr. 3 en nr. 8; Kamerstukken II 2011/12, 33 312.

Bestaat er slechts één grondslag van partneralimentatie?
De meningen zijn verdeeld over de grondslag van partneralimentatie. In de huidige behandeling van alimentatieverzoeken wordt slechts één grondslag gehanteerd: de huwelijkse solidariteit die een beperkte doorwerking heeft na het einde van het huwelijk, ook wel de lotsverbondenheid genoemd. Deze grondslag is niet als zodanig opgenomen in de wet, maar deze wordt gedestilleerd uit de jurisprudentie en de literatuur. De Hoge Raad stelt dat de alimentatieplicht is gebaseerd op de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen, waarbij deze plicht niet ophoudt te bestaan op het moment dat de huwelijksband wordt gestaakt. HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2496; HR 9 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9900.De opvatting van de Hoge Raad wordt niet door eenieder gedragen. In de literatuur is een discussie te bespeuren over dit standpunt. Zonneberg merkt op dat de huidige grondslag van partneralimentatie een uitgerekt idee is en dat het stelsel aan verandering toe is. L.H.M. Zonneberg, ‘De toekomst van het alimentatierecht’, REP 2013, 6, p. 229. Een tweede grondslag van partneralimentatie wordt daarbij overwogen. De grondslag die wordt voorgesteld, is de huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit. Een ex-echtgenoot heeft slechts een recht op een onderhoudsuitkering als de slechte economische positie waarin hij of zij verkeert een gevolg is van het huwelijk. Deze opvatting sluit aan bij het compensatoire aspect van partneralimentatie dat reeds bekend was in de doctrine. De andere grondslag die de Hoge Raad hanteert, en welke de heersende leer vormt, ziet meer op het alimentaire aspect van partneralimentatie.

Het huidige partneralimentatierecht
Het huidige partneralimentatierecht gaat uit van een aantal kernbegrippen. Ten eerste wordt bepaald of er sprake is van behoeftigheid aan de zijde van de alimentatieverzoeker. Degene die niet voldoende in het eigen levensonderhoud kan voorzien, kan een recht hebben op een onderhoudsuitkering van zijn voormalige echtgenoot, zo bepaalt artikel 1:157 lid 1 BW. Hieruit blijkt dat de echtgenoot die tot alimentatie verzoekt, behoeftig dient te zijn. Hierbij is onder meer van belang wat de levensstandaard van echtgenoten was tijdens het huwelijk, wat de gevolgen zijn van de echtscheiding voor beide partners en wat de vermogenspositie is van de verzoeker. Is vastgesteld dat sprake is van behoeftigheid aan de zijde van de alimentatieverzoeker, dan wordt gekeken naar de draagkracht aan de zijde van de alimentatieplichtige. Hierbij zijn onder andere van belang het inkomen en het vermogen van de onderhoudsplichtige van belang. Tevens wordt gekeken naar de woonlasten en de eventuele verplichting tot het betalen van kinderalimentatie. Ook is het pensioen dat al dan niet is opgebouwd voor het huwelijk van belang. Tot slot spelen andere niet-financiële factoren een rol. Hierbij wordt vooral gelet op het gedrag van de onderhoudsgerechtigde. De subjectieve maatstaf die is aangelegd, houdt in dat geen ‘laakbaar gedrag’ vertoont dient te worden. De hoogte van het bedrag aan partneralimentatie wordt bepaald aan de hand van allerlei financiële factoren. Hierbij spelen onder andere de woonlasten, het inkomen en de vermogens van beide partners een rol. De TremanormenDeze worden actueel gehouden door de werkgroep alimentatienormen van het Landelijk Overleg Voorzitters Fami- liesectoren- en Jeugdrecht (LOVF).
worden veelal als uitgangspunt genomen bij het bepalen van de hoogte van het toe te kennen bedrag. Tevens wordt doorgaans een draagkrachtvergelijking gemaakt, ook wel de jusvergelijking genoemd. Zijn de behoefte en de draagkracht eenmaal berekend en is de hoogte van het bedrag bekend, dan rest slechts de duur van de onderhoudsverplichting vast te stellen. De maximale, en tevens in vele gevallen standaardtermijn voor partneralimentatie, bedraagt twaalf jaar. Artikel 1:157 lid 4 BW.Voor kinderloze huwelijken korter dan vijf jaar is de maximale termijn steeds gelijk aan de duur van het huwelijk.Artikel 1:157 lid 6 BW. Een verlenging is in bijzondere omstandigheden mogelijk. Artikel 1:157 lid 5; artikel 1:159 lid 3 BW.

De grondslagendiscussie voor en na 1971
Voor 1971 speelde het schuldbegrip nog een belangrijke rol bij de echtscheidingsprocedure. In het oude Burgerlijk Wetboek was een viertal echtscheidingsgronden opgenomen op grond waarvan het beëindigen van het huwelijk door een van de partners mogelijk was. Slechts de ‘onschuldige’ echtgenoot kon de echtscheiding vorderen. Toen in 1971 het schuldbegrip werd afgeschaft, was tevens een kentering te bespeuren in de opvatting over welk aspect van partneralimentatie van het grootste belang is. Enerzijds was men van mening dat partneralimentatie een compensatoir karakter had, anderzijds was de opvatting dat partneralimentatie uit een alimentair karakter bestond. Toen het schuldbegrip in 1971 wegviel, zocht men steeds meer aansluiting bij het alimentaire karakter van de onderhoudsuitkering. Deze opvatting had tevens gevolgen voor de grondslag van partneralimentatie. De grondslag werd gevonden in de huwelijkse solidariteit die in beperkte mate doorwerkt na het einde van het huwelijk. Door het wegvallen van het schuldbegrip viel tevens het compensatoire aspect van de alimentatieverplichting weg. In de jaren na de afschaffing van het schuldbegrip hebben meerdere commissies en werkgroepen zich gebogen over de vraag hoe het partneralimentatierecht ingericht diende te worden. Geen van deze commissies kwam tot overeenstemming over de vraag wat de grondslag van partneralimentatie is. De Werkgroep Alimentatienormen was echter van groot belang voor de ontwikkeling van het stelsel omtrent de onderhoudsuitkering na echtscheiding. Zij ontwikkelde de voornoemde Tremanormen. Deze worden gebruikt als leidraad om de hoogte van het verschuldigde bedrag aan partneralimentatie vast te stellen. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de Tremanormen geen recht zijn in de zin van artikel 79 RO en dat bijvoorbeeld een schending hiervan, in beginsel geen grond is voor cassatie. De duur van de onderhoudsverplichting werd uiteindelijk in navolging van de vele commissies en werkgroepen beperkt tot twaalf jaar. Dit is een maximale termijn en de rechter kan besluiten een kortere periode vast te stellen. Op de rechter rust dan wel een zware motivatieplicht indien hij besluit de alimentatietermijn te beperken. Dit is tegelijkertijd een van de heersende problemen omtrent het huidige stelsel van partneralimentatie, aangezien rechters doorgaans de maximale termijn hanteren als een standaardtermijn. Mijns inziens dient meer aandacht te worden gegeven aan de achtergrond van de termijn van twaalf jaar. Bij de keuze voor deze termijn is uitgegaan van het meest ongunstigste geval waarbij het jongste kind wordt geboren als de echtscheiding wordt uitgesproken. De wetgever ging destijds uit van het feit dat de alimentatiegerechtigde na het ontvangen van een onderhoudsuitkering gedurende twaalf jaar zich voldoende kan voorbereiden op het kunnen voorzien in het eigen levensonderhoud. Tevens ging de wetgever uit van het feit dat “de kinderen na twaalf jaar een zodanige zelfstandigheid hebben bereikt, dat het vervullen van een dienstbetrekking met als doel in het eigen levensonderhoud te voorzien niet bezwaarlijk is.”Kamerstukken II 1985/86, 19 295, nr. 3, p. 7.De termijn van twaalf jaar is echter een standaardtermijn geworden en deze wordt ook toegepast in situaties waarbij het gaat om oudere kinderen die niet meer de volledige verzorging van de ouders behoeven. De zware motiveringsplicht van de rechter die geldt bij het toewijzen van een verzoek tot verkorting van de termijn, is mijns inziens dan ook niet op zijn plaats.

De politieke voorstellen
Het idee dat de maximale termijn van twaalf jaar te lang is, leeft ook in de politiek. Voormalige PVV-lid Bontes is daarom met een wetsvoorstel gekomen waarin de termijn wordt verkort en waarin de grondslag van huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit wettelijk wordt verankerd. Kamerstukken II 2011/12, 33 311, nr. 2.Dit voorstel is reeds weggestemd in de Tweede Kamer. Daarnaast zijn ook VVD, PvdA en D66 met een initiatiefvoorstel gekomen waarin de termijn van partneralimentatie wordt teruggebracht en waarin de grondslag van huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit in de wet wordt opgenomen.Kamerstukken II 2011/12, 33 312, nr. 2. Dit voorstel is slechts een initiatief en een echt wetsvoorstel moet dan ook nog worden ingediend. De indieners van het initiatiefwetsvoorstel stellen dat de huidige termijn van partneralimentatie geen prikkel aan de alimentatiegerechtigde geeft om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Deze opvatting deel ik, aangezien het ontvangen van partneralimentatie gedurende twaalf jaar niet bijdraagt aan het in staat zijn te voorzien in het eigen levensonderhoud. In het geval een alimentatiegerechtigde een onderhoudsuitkering ontvangt gedurende twaalf jaar wordt het steeds moeilijker om na het eindigen van de alimentatieverplichting in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Daarom voorzien de indieners dan ook in een afbouw van de hoogte van de alimentatie-uitkering. Mijns inziens is dit een goede manier om te bewerkstelligen dat de alimentatiegerechtigde steeds meer gewend raakt aan het moeten voorzien in het eigen levensonderhoud. De indieners brengen daarnaast de maximale termijn van partneralimentatie terug naar in beginsel vijf jaar. Dit geldt voor huwelijken die langer hebben geduurd dan drie jaar of voor huwelijken waaruit kinderen zijn geboren en waarbij de verdeling van de zorg voor de kinderen onevenredig is verdeeld. Bijvoorbeeld bij co-ouderschap bestaat daarom geen wettelijk recht op partneralimentatie. Tevens bestaat voor huwelijken korter dan drie jaar geen wettelijk recht op partneralimentatie. Bij huwelijken die langer dan vijftien jaar hebben geduurd en waarbij de alimentatieverzoekende partner niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, wordt de maximale termijn verlengd naar tien jaar. Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag wordt aangesloten bij de werkelijk voor het huwelijk bestaande inkomensverschillen tussen partners. De indieners merken op dat het huwelijk op zich geen recht op overdracht van vermogen schept. Dit lijkt mij een zeer logische conclusie. Deze opvatting sluit duidelijk aan bij de grondslag van partneralimentatie die de indieners voorstellen: de huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit. De indieners realiseren zich wel degelijk dat de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen groot zijn, daarom stellen zij contractsvrijheid centraal. Partijen kunnen zowel in positieve als in negatieve zin afwijken van de voorgestelde regelgeving. Daarnaast voorziet het initiatiefvoorstel in een hardheidsclausule die de rechter de mogelijkheid geeft onbillijke gevallen te kunnen repareren.

Het partneralimentatierecht in België en Duitsland
Bij een verandering in een wettelijke regeling is het raadzaam te kijken naar de regelgeving in het buitenland. Evenals in Nederland is ook in België een discussie in de literatuur gaande over wat de grondslag van partneralimentatie is. Uit de historische discussie is af te leiden dat in de Belgische literatuur wordt getwijfeld tussen het alimentaire en het compensatoire karakter van partneralimentatie. Het eerste karakter ziet meer op de voortdurende solidariteit als grondslag en het tweede wijst in de richting van de huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit als grondslag van partneralimentatie. De Belgische discussie betreft aldus dezelfde grondslagen als de twee grondslagen die in Nederland worden aangedragen. Zie o.a. Y.H. Leleu, ‘Het nieuwe echtscheidingsrecht: volgzaam en toch vooruitstrevend’, in: Verschelden (ed.), Echtscheiding 2009-2010, XXXVIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 2009-2010, Mechelen: Kluwer 2010, p. 361-383, nr. 20; F. Swennen, Familierecht in kort bestek, Antwerpen-Oxford: Intersentia 2008, nr. 651. De termijn voor partneralimentatie is in België gelijk aan de duur van het huwelijk.Artikel 301 § 4 lid 1 Belgisch Burgerlijk Wetboek. Het Duitse stelsel van partneralimentatie is bijzonder. In de Duitse wet is een aantal categorieën opgenomen op grond waarvan een recht op partneralimentatie kan bestaan. Dit draagt bij aan de acceptatie van een alimentatieplichtige voor de verplichting die hij jegens zijn voormalige huwelijkspartner heeft. De duur van de verplichting is dan ook gekoppeld aan de grond waarop de verplichting is gebaseerd. Dit brengt mee dat het Duitse recht geen algemene maximale termijn kent. Bijvoorbeeld: een recht op partneralimentatie op grond van ouderdom kan een levenslang recht zijn. De discussie over de twee bekende grondslagen van partneralimentatie is ook in Duitsland aanwezig. De Duitse wetgever stelde in 1977 dat de nacheheliche SolidaritätDe Duitse vertaling van de Nederlandse grondslag van lotsverbondenheid. de enige grondslag van partneralimentatie isCitaat in B. Metz, Rechtsethische Prinzipien des nachehelichen Unterhalts. Eine Kritik an der nachwirkenden ehelichen Solidarität (diss. Hamburg Universität), Frankfurt am Main: Peter Lang 2005.. Het Duitse Bundesgerichtshof laat in een uitspraak zien dat de huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit wel degelijk een rol speelt als grondslag van partneralimentatie.BGH 9 juni 1980, FamRZ 1980, 981. In Duitsland is in de literatuur kritiek geuit op de lotsverbondenheid als grondslag. Brudermüller stelt dat een recht op partneralimentatie slechts mogelijk is, indien de ex-echtgenoot niet kan voorzien in het eigen levensonderhoud en dat dit ten grondslag ligt aan omstandigheden veroorzaakt door het huwelijk.G. Brudermuller, Geschieden und doch gebunden? Ehegattenunterhalt zwischen Recht und Moral, München: C.H. Beck 2008, p. 14. Dit is een typisch voorbeeld van de grondslag van huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit.

Conclusie
Ik constateer uit het bovenstaande dat in Nederland de grondslag van partneralimentatie de voortdurende solidariteit inhoudt. Deze vloeit voort uit het huwelijk en deze werkt door in beperkte mate na het einde van het huwelijk. Zoals Zonneberg reeds betoogde, is de lotsverbondenheid een uitgerekt idee dat niet meer van deze tijd is. Ik ben van mening dat de grondslag van huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit een betere grondslag van partneralimentatie is, omdat hieruit beter blijkt waarom op een ex-partner de verplichting tot het betalen van een onderhoudsuitkering aan zijn voormalige echtgenoot rust. Eenvoudig is immers vast te stellen of een partner tijdens het huwelijk heeft deelgenomen aan het arbeidsproces. Indien dit niet het geval is en dit door onderlinge afspraken is geregeld, kan dit verlies aan inkomen gecompenseerd worden door een recht op partneralimentatie. Deze grondslag dient dan ook wettelijk verankerd te worden, zodat geen onduidelijkheid bestaat over de vraag welke grondslag wordt gehanteerd. Mijns inziens is een recht op partneralimentatie slechts op zijn plaats, indien de slechte economische situatie waarin een ex-echtgenoot verkeert het gevolg is van het huwelijk. In het initiatiefvoorstel wordt voorgesteld dat slechts een recht op partneralimentatie bestaat, indien de alimentatieverzoeker niet heeft gewerkt tijdens het huwelijk om voor de kinderen te kunnen zorgen. Naar mijn mening dient de echtgenoot die niet de verzorging van de kinderen op zich heeft genomen, maar toch niet heeft gewerkt op grond van een gezamenlijke afspraak ook voor een onderhoudsuitkering in aanmerking te komen. Dit omdat vertrouwd mocht worden op de onderlinge afspraak die is gemaakt en dat daaruit voortvloeit dat de werkende echtgenoot voor de andere echtgenoot zorgt. De niet-werkende echtgenoot dient de kans te krijgen in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien gedurende een periode waarin hij op zoek is naar werk of een opleiding volgt waardoor hij een betere kans heeft aan het arbeidsproces te kunnen deelnemen. De indieners van het initiatiefvoorstel stellen een maximale termijn van vijf jaar voor en ik sluit mij bij dit voorstel aan. Tegelijkertijd is de keuze voor een maximale termijn arbitrair en ik besef dat deze termijn ook vier of zes jaar kan inhouden. De definitieve keuze laat ik dan ook over aan de wetgever. Mocht de voorgestelde regelgeving onbillijke situaties in de hand werken, dan bieden de indieners een hardheidsclausule die deze gevallen kan repareren. Het lijkt mij verstandig dat een dergelijke clausule in de wet wordt opgenomen. Allesomvattend verdient het naar mijn mening aanbeveling het stelsel omtrent partneralimentatie zodanig te wijzigen dat een recht op partneralimentatie slechts bestaat als de slechte economische situatie waarin een verzoeker tot alimentatie verkeert, is veroorzaakt door het huwelijk. Deze grondslag van partneralimentatie dient dan ook wettelijk verankerd te worden, waardoor het duidelijk is wat de enige juiste grondslag van partneralimentatie inhoudt. De politieke voorstellen laten zien dat in de volksvertegenwoordiging draagkracht bestaat het stelsel omtrent partneralimentatie te wijzigen en ik ben dan ook zeer benieuwd of en op welke termijn dit initiatief als wetsvoorstel wordt ingediend bij de Tweede Kamer en wat hiervan de uitkomst is.