Grieken en goederenrecht: Een verhaal over Helleense helden, het slopen van schepen, metselen van muurtjes en mengen van meel

Tom Booms
Mr. drs. T.E. Booms is als promovendus verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht.

Theseus is een Atheense held uit de Griekse mythologie. Hij is vooral bekend geworden van zijn reis van Athene naar Kreta. In de dagen van Theseus was een reisje naar een Grieks eiland nog geen garantie voor zonnen, drinken en stappen. Toch wist Theseus al snel een meisje te versieren: Ariadne, de dochter van koning Minos van Kreta. Hoewel Ariadne smoorverliefd op hem was, zal Theseus zich zijn eerste nachtelijke avontuurtje met haar op Kreta heel anders hebben voorgesteld.

In plaats van tijd te maken voor een romantisch rendez-vous, drukte zij hem namelijk een zwaard en een bolletje wol in handen. Theseus zag direct de waarde van deze nachtelijke geschenken in zodra hij door de wachters van koning Minos werd achtergelaten in een labyrint om te vechten met een minotaurus (een monsterlijk mythologisch wezen, half-mens, halfstier). Hij wist de minotaurus te verslaan met het zwaard, om vervolgens aan de hand van de wollen draad die hij had gesponnen de weg terug te vinden naar Ariadne. Eind goed al goed? Natuurlijk niet. Het is een Griekse tragedie, dus driekwart van de personages in het verhaal komt nog te overlijden: Ariadne, de zus van Ariadne (waarmee Theseus bij gebrek aan beter dan maar getrouwd was), Theseus’ vader en Theseus’ zoon. Wij zouden dat tegenwoordig – letterlijk en figuurlijk – een beetje een overkill vinden, maar de oude Grieken vonden het prachtig. Theseus werd koning van Athene en een voorbeeld voor zijn onderdanen.

Theseus en titel 5.2 BW
De verering van de Atheners voor Theseus en zijn daden ging zo ver, dat ze het schip waarmee hij had gereisd nog eeuwen in de haven bewaarden om hem te herdenken. Helaas is niets oneindig, dus ook de onderdelen van een schip niet. Om de nagedachtenis aan Theseus levend te houden, werden alle planken, zeilen en touwen die dreigden te vergaan jaarlijks door de timmerlui van Athene vervangen. Het schip werd op deze manier nog honderden jaren drijvend gehouden. Het is daarom goed voorstelbaar dat in de loop van de tijd géén van de originele planken, zeilen of touwen die met Theseus zijn meegereisd meer in het schip aanwezig waren. De schrijver die Theseus’ levensverhaal optekende, Plutarchus, kwam daardoor tot de volgende overpeinzing: Is een schip waarvan alle onderdelen zijn vervangen nog steeds hetzelfde schip?Plutarchus, Vita Thesei, 22-23. Een
Engelse vertaling is te vinden via http://
classics.mit.edu/Plutarch/theseus.html.

Deze vraag is in de Griekse filosofie bekend komen te staan als de ´paradox van het schip van Theseus´. Deze paradox geeft aanleiding om nog wat verder te filosoferen:

Als het schip na vervanging van een aantal onderdelen niet meer hetzelfde schip is, vanaf hoeveel vervangen onderdelen is het dan een ander schip geworden? Vanaf één? Tien? Meer dan de helft?

Stel dat iemand alle vervangen onderdelen zou bewaren en met die onderdelen het oorspronkelijke schip weer zou reconstrueren, welk schip is dan het echte schip?Deze vraag werd geïntroduceerd door
de Engelse filosoof Thomas Hobbes, De
Corpore, 2.11. Een Engelse vertaling is te
vinden via https://archive.org/details/
englishworkstho21hobbgoog.
Kunnen beide schepen het echte schip zijn?

Wat als de helft van het oorspronkelijke schip is vervangen en je bouwt met die vervangen onderdelen een half schip dat je aanvult met nieuwe onderdelen, welke van de twee schepen is dan het oorspronkelijke schip? Kunnen beide schepen het echte schip zijn?

Deze filosofische puzzels kunnen behoorlijk wat hoofdbrekens veroorzaken. Het bespreken van de verschillende theorieën die door filosofen zijn bedacht om de paradox van het schip van Theseus op te lossen gaat het bestek van deze (juridische) bijdrage te buiten. Ik kan in ieder geval zeggen dat men ‘de’ oplossingA. Gallois, ‘Identity over time’, in:
E.N. Zalta (red.), Stanford Encyclopedia
of Philosophy 2012, te raadplegen via
http://plato.stanford.edu/archives/
sum2012/entries/identity-time/.
nog niet gevonden heeft.

In plaats van nóg meer filosofische bespiegelingen te wijden aan het schip van Theseus, wil ik dit verhaal eens onderwerpen aan een goederenrechtelijke analyse. Hoewel voor veel (aanstormend) juristen het goederenrecht minstens net zo veel hoofdbrekens oplevert als bovenstaande filosofische vraagstukken, is het juist niet het doel van het goederenrecht om extra complicaties op te werpen. In het goederenrecht gaat het uiteindelijk nooit om het oplossen van filosofische puzzels, maar – heel plat gezegd – om geld. Wie is er eigenaar van het schip? Kan een zekerheidsgerechtigde die een zekerheidsrecht op het schip heeft verkregen zijn zekerheidsrecht nog uitoefenen? De regels van het goederenrecht zijn er op geschreven om deze vragen zo eenvoudig mogelijk op te kunnen lossen. Om die reden biedt het goederenrecht een aantal versimpelingen van de werkelijkheid die het voor een rechter gemakkelijker maken om een op het oog complexe casus op te kunnen lossen. Dit wil ik illustreren aan de hand van een goederenrechtelijke casus over de paradox van het schip van Theseus:

Timmerman A heeft met hout, touw en zeildoek dat onder eigendomsvoorbehoud is geleverd door leverancier B een klein houten zeilschip voor zichzelf gebouwd, genaamd de ‘Theseus I’.4 De Theseus I is door A bezwaard met een pandrecht ten gunste van zijn financier C. In de loop der tijd vervangt timmerman D de onderdelen van het zeilschip één voor één met onderdelen die onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd door leverancier E. Met de onderdelen die hij uit de Theseus I heeft gehaald bouwt D voor zichzelf een nieuw schip, de ‘Theseus II’. A betaalt zijn leverancier B niet en blijft daarnaast in gebreke bij zijn financier C. D betaalt zijn leverancier E niet.

Verschillende vragen dringen zich op: Wie is eigenaar van de Theseus I? Kunnen leveranciers B en E de door hen geleverde materialen revindiceren? Wie is eigenaar van de Theseus II? Kan financier C zijn pandrecht op één van beide schepen uitoefenen?

Wie is eigenaar van de Theseus I?
In de casus is sprake van zaaksvorming, als in artikel 5:16 BW. Er is sprake van een nieuwe zaak, want het schip heeft een eigen, van de daarvoor gebruikte materialen te onderscheiden, identiteit.Omdat het schip plank voor plank gebouwd is en er geen compleet casco is aangeleverd, is er geen sprake van natrekking door het casco van B zoals in het arrest Hoge Raad 14 februari 1992, NJ 1993, 623 (Hinck/van der Werff & Visser; Love Love). Dat de materialen waarmee A het schip heeft gebouwd niet van hem zijn maar van leverancier B zou er toe leiden dat B eigenaar is geworden van het schip (artikel 5:16 lid 1 BW), ware het niet dat A voor zichzelf gevormd heeft (artikel 5:16 lid 2 BW).Ik heb deze versimpeling in de casus aangebracht om de bespreking beperkt van omvang te houden. Voor het geval niet duidelijk is of A voor zichzelf gevormd heeft dat B door middel van A heeft doen vormen, kunnen de gezichtspunten uit het arrest Hoge Raad 5 oktober 1990, NJ 1992, 226 (Breda/ Antonius) worden toegepast. A is daarom eigenaar van de Theseus I. Het eigendomsvoorbehoud van B op de door hem aangeleverde zaken is teniet gegaan; deze zaken zijn opgegaan in de zaak waarvan A de eigendom heeft. Ook voor door B aangeleverde zaken die geen bestanddeel van het zeilschip zijn geworden, maar wel tot de uitrusting van het schip behoren, geldt op basis van artikel 8:1 lid 4 en 5 BW dat zij – behoudens andersluidend en in de registers ingeschreven beding – onder het eigendomsrecht van A zijn komen te vallen.Zodra D de onderdelen van de Theseus I één voor één begint te vervangen door onderdelen geleverd door leverancier E worden deze laatste door natrekking bestanddeel van de Theseus I op basis van artikel 5:14 lid 1 BW. Het zeilschip minus één onderdeel zal volgens artikel 5:14 lid 3 BW steeds als hoofdzaak zijn aan te merken ten opzichte van dat ene onderdeel dat er aan wordt toegevoegd. Naar verkeersopvatting (en overigens ook naar waarde gemeten) wordt een schip immers beschouwd als de zaak waar een plank aan wordt vastgetimmerd, in plaats van andersom. De onderdelen die leverancier E heeft geleverd, houden op als zelfstandige zaken te bestaan; deze onderdelen worden bestanddelen van de zaak waar A een eigendomsrecht op heeft. Ook na complete vervanging van de materialen van leverancier B door de materialen van leverancier E is A dus nog steeds eigenaar van de Theseus I.

Kunnen leveranciers B en E hun zaken revindiceren?
Revindicatie is slechts mogelijk ten aanzien van zaken die eigendom zijn van de revindicerende partij. Ten aanzien van zaken die door zaaksvorming onderdeel geworden zijn van een nieuwe zaak (zoals de materialen van B, die onderdeel zijn geworden van het schip van A) of zaken die bestanddeel zijn geworden van een andere zaak (zoals de materialen van E, die bestanddeel zijn geworden van het schip van A) is revindicatie niet mogelijk.Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/78. Zodra de materialen onderdeel zijn geworden van het schip van A zijn de eigendomsrechten van B en E verloren gegaan. Het eigendomsrecht van de door B geleverde materialen ‘herleeft’ niet op het moment dat deze weer uit het schip worden losgemaakt. Zodra een plank wordt losgemaakt uit de Theseus I en duidelijk is dat deze niet meer zal worden teruggeplaatst, is de plank weer een zelfstandige zaak geworden.Zie meer uitgebreid over de vereisten om te kunnen spreken van afscheiding: J.B. Spath, Afscheiding van bestanddelen en splitsing, Ars Aequi 2004, 2. Uit de wet volgt niet direct wie eigenaar is van de plank die door afsplitsing een losse zaak is geworden.J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, Deventer: Kluwer 2002, p. 210. Het ligt echter voor de hand om aan te nemen dat de eigenaar van de zaak waar een deel van wordt afgesplitst ook eigenaar wordt van het afgesplitste deel.J.B. Spath, Afscheiding van bestanddelen en splitsing, Ars Aequi 2004, 2, p. 94. Ook gedurende de periode dat de planken, zeildoeken en touwen uit de Theseus I zijn verwijderd maar nog niet in de Theseus II zijn verwerkt, is A van deze materialen dus eigenaar en is revindicatie door B niet mogelijk.

Wie is eigenaar van de Theseus II?
Wederom is hier sprake van zaaksvorming. D vormt voor zichzelf een schip, dat een andere identiteit heeft dan de materialen die bij de bouw van dat schip zijn gebruikt. Dat de materialen waarmee D het schip bouwt niet van hem zijn maar van A zou er toe leiden dat A eigenaar wordt van het schip (artikel 5:16 lid 1 BW), ware het niet dat D voor zichzelf gevormd heeft (artikel 5:16 lid 2 BW). Ik heb deze versimpeling in de casus
aangebracht om de bespreking beperkt van omvang te houden. Voor het geval niet duidelijk is of D voor zichzelf gevormd heeft of dat A dan wel E door middel van D heeft doen vormen, kunnen de factoren uit het arrest Hoge Raad 5 oktober 1990, NJ 1992, 226 (Breda/Antonius) worden toegepast.
D wordt daarom eigenaar van de Theseus II.

Kan financier C zijn pandrecht op één van beide schepen uitoefenen?
Een beperkt recht op een zaak gaat teniet zodra die zaak ophoudt te bestaan (artikel 3:81 lid 2 sub a BW). Als een plank van de Theseus I wordt losgemaakt, dan is deze plank een zaak die eerder niet als losse zaak bestond. Het pandrecht dat rust op de Theseus I strekt zich dan ook niet uit over de losgemaakte plank.J.B. Spath, Afscheiding van bestanddelen en splitsing, Ars Aequi 2004, 2, p. 99. Dat betekent in onze casus niet dat het pandrecht op een minder waardevol object rust dan voorheen: door vervanging van de plank wordt de zaak weer uitgebreid met een nieuwe plank, zodat het pandrecht nog steeds op een compleet schip rust. Het pandrecht van C blijft dan ook op de Theseus I rusten na het één voor één vervangen van alle planken. Op de Theseus II rust het pandrecht niet; op deze zaak is het pandrecht niet gevestigd.

Versimpelende werking van het goederenrecht
Dat de bovenstaande vragen relatief eenvoudig kunnen worden beantwoord, komt doordat het goederenrecht uitgaat van een aantal versimpelingen van de werkelijkheid. Uit de bovenstaande ‘standaardantwoorden’ vallen daar een aantal van op te maken. Zo zorgt het eenheidsbeginsel – alles dat samen één zaak vormt wordt door het recht als eenheid behandeld – ervoor dat er één eigendomsrecht bestaat ten aanzien van alle materialen die samen onderdeel uitmaken van het schip. Zie over het eenheidsbeginsel Asser/ Bartels & van Mierlo 3-IV 2013/65 e.v., die daar jammer genoeg het voorbeeld dat overdracht van een schip ook de bestanddelen van dat schip omvat uit de vorige druk hebben vervangen door het voorbeeld van de overdracht van een auto. In combinatie met de regels over natrekking en zaaksvorming uit artikel 5:14 en 5:16 zorgt het eenheidsbeginsel ervoor dat het aantal partijen dat rechten kan doen gelden ten aanzien van de schepen drastisch wordt beperkt; de leveranciers onder eigendomsvoorbehoud worden al buitenspel gezet. De laatstgenoemde artikelen geven de rechter daarnaast regels voor de toewijzing van die eigendom, zodat ook geschillen tussen de overgebleven partijen kunnen worden beslecht. Dat deze regels soms ‘kort door de bocht’ zijn, is duidelijk. Zo zal niemand het ‘eerlijk’ vinden dat een dief eigenaar wordt van een zaak die hij voor zichzelf vormt uit door hem gestolen spullen. Het rechtvaardigheidsgevoel moet hier wijken voor de rechtszekerheid die een duidelijke regel met zich brengt. Als maar duidelijk is hoe de regels werken dan kan de praktijk zich in ieder geval instellen op het gebruik van die regels, zo is de gedachte. Rechtsregels werken dan als een soort ‘recept’: nieuwe zaak + voor zichzelf vormen = eigendom van de nieuwe zaak. Dit zorgt er voor dat studenten het goederenrecht vaak een vrij ‘star’ systeem vinden: er is maar één antwoord goed met weinig ruimte tot discussie. Dat beeld is maar ten dele juist. Bij de echt lastige puzzels bestaat er soms een veelvoud aan juiste antwoorden en zal ook een rechter uiteindelijk ‘op gevoel’ een keuze moeten maken. Dit doet zich vooral voor als de rechter moet kijken naar ‘de verkeersopvatting’. Ik zal dat laten zien aan de hand van dezelfde casus.

Het problematiseren van Plutarchus’ probleem
Bij het beantwoorden van de bovenstaande vragen heb ik een beetje gesmokkeld met de paradox van het schip van Theseus. De vraag of er sprake is van een ‘nieuwe zaak’ heb ik tot nog toe namelijk ontweken, door de veranderingen aan het schip langzaam en geleidelijk door te voeren. Op deze wijze worden de nieuw aangebrachte planken steeds op basis van artikel 5:14 BW nagetrokken door het schip, dat daarmee (met steeds een minieme verandering) blijft bestaan. De eigendomsvraag zou ingewikkelder zijn als timmerman D de materialen niet ‘in de loop der tijd’ vervangt, maar in – pakweg – één arbeidsdag. Wat is er dan gebeurd? Verschillende opvattingen zijn mogelijk:

Er is sprake van natrekking van de bestanddelen (zoals steeds hierboven is aangenomen) als in artikel 5:14 BW. Er is immers geen nieuwe zaak gevormd: het schip is nog steeds hetzelfde schip.In deze lijn: Gerechtshof Amsterdam 23 maart 1950, NJ 1950, 732 (Wolseley).

Er is sprake van een zaaksvormingsproces als in artikel 5:16 BW, waarbij D in één productieproces een nieuwe zaak vormt uit zaken die toebehoren aan A (het schip) en E (alle onderdelen). Zowel het schip van A als de materialen van E worden immers gebruikt om het nieuwe schip te vormen.

Er is sprake van een zaaksvormingsproces als in artikel 5:16 BW, waarbij D in één productieproces een nieuwe zaak vormt uit zaken die toebehoren aan E. Uiteindelijk bevat het gerenoveerde schip immers slechts materialen die aan E hebben toebehoord.

Het probleem dat in deze aangepaste casus speelt, is dat niet direct duidelijk is of er sprake is van natrekking als in artikel 5:14 BW of zaaksvorming als in artikel 5:16 BW. Deze figuren vloeien soms in elkaar over.Zie A.H.T. Heisterkamp in Pitlo/ Reehuis, Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2012, nr. 510. Alhoewel de wetgever de regels voor deze figuren daarom grotendeels gelijk van opzet heeft gemaakt, kunnen de regels over natrekking enerzijds en de zaaksvorming voor zichzelf uit zaken van een ander anderzijds uiteenlopende uitkomsten geven. Zo ook hier: bij natrekking omvat het eigendomsrecht van A na afloop van de reparatiewerkzaamheden alle ter vervanging aangebrachte onderdelen, terwijl bij zaaksvorming voor zichzelf door D deze laatste eigenaar wordt. Het onderscheid tussen natrekking en zaaksvorming is gelegen in de vraag of sprake is van een ‘nieuwe zaak’. Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5*2008/73.Eigenlijk is dat precies dezelfde vraag die aan de orde wordt gesteld in de paradox van het schip van Theseus. Of een nieuwe zaak is gevormd, moet worden beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting. Er bestaat nog geen vastomlijnd criterium om die verkeersopvatting in te vullen. Factoren die genoemd worden waardoor gezegd kan worden dat er sprake is van een nieuwe zaak zijn onder andere: 1) heeft de zaak een andere naam gekregen? 2) is de waarde van de zaak aanmerkelijk veranderd? en 3) is de oorspronkelijke vorm onherroepelijk verloren gegaan? J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, Deventer: Kluwer 2002, p. 192. Geen van deze factoren lijkt hier aan de orde: de originele Theseus I en de gerenoveerde Theseus I hebben exact dezelfde naam, dezelfde waarde en dezelfde vorm. Dat zou er echter toe leiden dat de originele Theseus I en de gerenoveerde Theseus I dezelfde zaak zijn, terwijl geen enkel molecuul uit de originele Theseus I nog in de gerenoveerde Theseus II te vinden is.

Een fictief voorbeeld laat zien dat dat nogal uit kan maken. Stel dat de Theseus I, het originele schip van de Atheense held Theseus, staat tentoongesteld in een museum. Dieven slagen er in om door een klein gat in het ventilatiesysteem binnen te komen en kunnen door dat gat elke avond een onderdeel van het schip naar buiten smokkelen. Om geen argwaan te wekken, vervangen ze ieder onderdeel dat ze ontvreemden steeds door een identiek onderdeel uit een ander even antiek schip. Na een aantal maanden werk hebben ze het hele schip naar buiten gesmokkeld en in een loods in elkaar gezet. Een antiekhandelaar die in opdracht van een rijke kunstverzamelaar wordt ingevlogen om ´het´ schip van Theseus te kopen kan kiezen: hij koopt het schip dat in de loods van de dieven staat of tipt de politie en koopt vervolgens het schip dat nu in het museum staat opgesteld. Afgezien van alle morele bezwaren (we doen immers goederenrecht!)Geintje. Goederenrechtjuristen zijn uitermate aardige mensen van hoogstaand moreel niveau.: welk schip zou hij moeten kopen? En het museum, dat onder geen beding afstand zal willen doen van ‘het’ schip van Theseus dat zij meent tentoon te stellen, hoe zal zij zich voelen na op de hoogte te zijn gebracht van het voorval? Gevoelsmatig zullen de meeste mensen toch zeggen dat het schip dat nu in de loods bij de dieven staat het ‘echte’ schip is, ook al is het identiek aan het schip dat nu in het museum staat. Waarom? Tsja… Uiteindelijk is het aan de verkeersopvatting om te bepalen wanneer een zaak nieuw is en wanneer niet. Degene die beschikt over een goede verkeersopvatting mag me mailen.

Stel dat we ervan uitgaan dat er sprake is van een nieuwe zaak, dan staat de vraag nog open uit wiens zaken die is gevormd. Mij lijkt het logischer om te zeggen dat de nieuwe zaak alléén is gevormd uit zaken van E. Er zijn geen zaken van A in het uiteindelijke schip terecht gekomen. Eigenlijk is dan sprake geweest van twee in elkaar geschoven ‘processen’: het opbouwen van een schip uit zaken van E en het afsplitsen van onderdelen van A van het schip van A, waarbij het schip van A de ‘mal’ heeft gevormd waarop het nieuwe schip is gebouwd. De afgesplitste onderdelen van het schip van A komen dan nog steeds aan A toe. Achteraf is dan ook gemakkelijker te verklaren dat er sprake was van een nieuwe zaak: nu het schip van A geen onderdeel is geworden van het nieuwe schip (en er dus ‘tussenuit’ valt), blijkt duidelijk dat het nieuwe schip ten opzichte van de materialen van E een nieuwe zaak vormt. Er blijft dan nog één vraag over. Als we zouden aannemen dat het met grote tussenpozen één voor één vervangen van de onderdelen van de Theseus I moet worden gezien als een geval van natrekking, terwijl het in één vloeiend proces vervangen van de onderdelen van de Theseus I moet worden gezien als een geval van zaaksvorming: waar ligt dan de grens? Wanneer loopt het vervangen ‘met grote tussenpozen’ over in vervangen ‘in één vloeiend proces’? Is dat bij een renovatie die langer duurt dan één dag? Dan één week? Een maand? Om daar meer over te weten te komen, gaan we op bezoek bij een andere ‘held’ uit de Griekse oudheid: Eubulides van Milete.

Eubulides van Milete, metselen en meel
De Griekse filosoof Eubulides van Milete staat bekend als de uitvinder van de logische paradoxen. Een bekende paradox die aan hem wordt toegeschreven is de zogenaamde ‘leugenaarsparadox’:

“Wanneer loopt het vervangen ‘met grote tussenpozen’ over in vervangen ‘in één vloeiend proces’?”18 “Wanneer een leugenaar zegt dat hij liegt, dan betekent dit dat hij zowel liegt als de waarheid spreekt. Wanneer hij bij deze uitspraak de waarheid zegt, liegt hij. Wanneer hij liegt, dan heeft hij gelogen, maar spreekt hij daardoor de waarheid.”

Paradoxaal genoeg om je flink in de war te brengen. Voor dit artikel wil ik het echter over één van zijn minder bekende paradoxen hebben: de ‘sorites paradox’. Ook wel de ‘paradox van de stapel’, omdat ‘sorites’ vertaald wordt met ‘stapel’.
Deze paradox, die in veel varianten voorkomt,Zie bijvoorbeeld de ‘falakros paradox’, ofwel de paradox van de kale man: Een man met één haartje is kaal, een man met twee haartjes is ook kaal. Hoeveel haartjes zijn er nodig om te zeggen dat een man niet kaal is? luidt als volgt:

“Stelling 1: Één zandkorrel maakt geen hoop zand. Stelling 2: Het toevoegen van één korrel zand aan iets dat geen hoop zand is, maakt daarvan geen hoop zand. Logische conclusie: hoeveel korrels zand je ook toevoegt, je zult nooit een hoop zand hebben.”

Het ligt voor de hand dat de conclusie niet klopt; als je maar genoeg zandkorrels bij elkaar gooit, dan heb je op een gegeven moment een hoop zand. Het is al iets lastiger om te zeggen waarom die conclusie niet klopt. Na even puzzelen zullen veel mensen zien dat stelling 2 van de paradox niet helemaal juist is. Op een gegeven moment komt er namelijk een punt waarop het toevoegen van een extra korrel zand wél leidt tot een hoeveelheid zandkorrels waarvan mensen zullen zeggen dat het een ‘hoop’ is. De grote vraag – en waar de paradox uiteindelijk om draait – is om te kunnen zeggen hoeveel zandkorrels daarvoor nodig zijn. Is er echt een aantal zandkorrels te bepalen dat bij elkaar géén hoop vormt, maar met één extra zandkorrel er bij wel? In het goederenrecht komt het ook voor dat het bepalen van een ‘grenslijn’ de doorslag geeft tussen het kiezen voor het ene of het andere rechtsgevolg. Een voorbeeld:

A is leerling-metselaar en heeft uit zijn eigen stenen een losstaand muurtje gemetseld. Het muurtje wordt opgetrokken op een houtplaat in een lokaal en wordt niet nagetrokken door de grond.B is eveneens leerling-metselaar en heeft de nacht voor zijn les een feestje gehad. Terwijl A buiten een sigaretje staat te roken metselt B per abuis zijn stenen niet op zijn eigen muurtje, maar op dat van A.

Als B één steen op het muurtje van A gemetseld heeft dan lijkt het voor de hand te liggen dat die steen (die inmiddels, na de rookpauze van A en de daaropvolgende consternatie, aard- en nagelvast met de rest van het muurtje is verbonden) een bestanddeel van dat muurtje is geworden. Maar wat als er inmiddels vijf stenen bij zijn gemetseld? Of tien? Of even veel als dat A er al had aangebracht? Met andere woorden: waar ligt de grens tussen de bestanddeelvorming van artikel 5:14 lid 1 BW en de mede-eigendom van artikel 5:14 lid 2 BW?

Nog een voorbeeld:

Bakker A heeft een voorraad van 100 kilo meel in het magazijn liggen en is van plan daar tijgerbroden van te bakken. Bakkersknecht B, die een blauwe maandag rechten heeft gestudeerd, houdt niet van tijgerbroden. Hij voegt daarom één kopje van zijn eigen meel aan de voorraad toe, om zo mede-eigenaar te worden en zeggenschap te krijgen over de voorraad meel.

Het moge duidelijk zijn dat B geen mede-eigenaar wordt door één kopje meel toe te voegen (artikel 5:15 BW).In dezelfde zin A.H.T. Heisterkamp in Pitlo/Reehuis, Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2012, nr. 515. Maar wat als B een kilo toevoegt? Of vijf kilo? Met andere woorden: waar ligt de grens tussen hoofdzaak-bestanddeel enerzijds en mede-eigendom anderzijds?

Oplossingen
In beide gevallen zal een rechter uiteindelijk een knoop moeten doorhakken over de vraag of een hoofdzaak is aan te wijzen, of dat dat niet mogelijk is. Stel dat een rechter de grens legt bij een bepaalde hoeveelheid: 12 stenen, 850 gram meel; betekent dat dan dat één steen extra, of – sterker nog – één gram extra meel, tot een compleet ander rechtsgevolg zou leiden? Het verschil tussen 850 gram meel en 851 gram meel lijkt volkomen arbitrair. Gelukkig voor ons hebben filosofen sinds de tijd van Eubulides van Milete over dit probleem nagedacht. Jammer genoeg is de praktische waarde van de door hen aangedragen oplossingen zachtst gezegd beperkt. Zo zijn er filosofen die (eenvoudig weergeven) betogen dat er in dergelijke gevallen wel objectieve grenzen bestaan, maar dat we ze onmogelijk kunnen kennen.Bijvoorbeeld T. Williamson, ‘Inexact knowledge’, Mind 1992, p. 236. Ik chargeer natuurlijk wel een beetje. Rechters van Nederland: succes! Andere oplossingen die door filosofen worden aangedragen (en weer bestreden) zijn onder andere het werken met meerwaardige logica (het accepteren van meer opties dan alleen ‘waar’ of ‘niet waar’ voor een stelling), supervaluationisme (het semantisch oplossen van het probleem door de vraag te verschuiven naar de definitie van een woord, die in een samenstelling ‘superwaar’, ‘superonwaar’ of gewoon ‘waar’ of ‘onwaar’ kan zijn) en hysterese (het accepteren van verschillende grenswaarden, afhankelijk van of er wordt op- of afgeteld)Zie voor de verschillende theorieën D. Hyde, Vagueness, Logic and Ontology, Burlington: Ashgate 2008.. Geen van deze oplossingen geeft een criterium waarmee kan worden bepaald waar de grens tussen een hoop en geen hoop, of de grens tussen hoofdzaak-bestanddeel enerzijds en mede-eigendom anderzijds precies ligt.

Een rechter mag zich echter niet verschuilen achter filosofische discussies als hij een concreet geval moet oplossen. Hij zal tot een oordeel moeten komen. Daarbij kan hij wellicht aansluiten bij een andere oplossing die door filosofen wel wordt voorgesteld: het kijken naar wat de consensus van leden van een groep is over waar de grens hoort te liggen. W.V. Quine, ‘What price bivalence?’, The Journal of Philosophy 1981, p. 93. In juristentaal: de verkeersopvatting. Daarmee zijn we weer terug bij de maatstaf die juristen gewend zijn om te gebruiken. Ook hier blijkt weer dat de regels van het goederenrecht de dingen niet oneindig simpeler kunnen maken. Zodra er open normen in het spel komen, zoals de verkeersopvatting, kunnen opeens heel veel antwoorden goed zijn. Uiteindelijk komt het er bij beide paradoxen dus op neer dat een rechter die zich geconfronteerd ziet met filosofisch onoplosbare problemen zelf, op basis van de verkeersopvatting, een knoop zal moeten doorhakken. Na meer dan tweeduizend jaar filosofisch debat is dat een gedachte die wellicht wat treurig stemt. Juristen hoeven echter niet te treuren. Het is hun werk (en zij worden er goed voor betaald) om concrete gevallen op te lossen, ook als zij daarvoor gebruik moeten maken van gemeenplaatsen als ‘de verkeersopvatting’. Weet je trouwens wie meesters waren in het werken met gemeenplaatsen? De oude Grieken…Zie het hoofdstuk ‘Hoi topoi’ in
J.H. Nieuwenhuis, Confrontatie en compromis, Deventer: Kluwer 2007.