Van zwijgen naar alternatief scenario

Pieter van der Kruijs
Mr. P. van der Kruijs is strafrechtadvocaat.

In 1974 werd de mededelingsplicht die inhoudt dat een verdachte op vragen hoeft te geven, heringevoerd voor iedere verhoorder, inclusief de rechter. In datzelfde jaar studeerde ik af aan de, toen nog, Katholieke Universiteit Nijmegen. De gelijktijdigheid in jaartal van die twee gebeurtenissen berust op toeval, ondanks dat er mensen zijn die beweren dat toeval niet bestaat. Ik heb echter geen toegang tot die hogere sferen van denken, ondanks dat de mensen die wel in toeval geloven, beperktheid van geest wordt toegedicht.

Ik noem mijn afstuderen niettemin omdat ik een paar jaar later de advocatuur in ging, piketdiensten ging doen en omdat het advies aan de verdachte om te zwijgen nog nauwelijks voorkwam. Hoe anders is het vergaan met die advisering en dan vaak al in een eerder stadium, namelijk vóór het eerste politieverhoor als gevolg van de Salduz-jurisprudentie.

Er moet dus iets veranderd zijn waardoor van het recht om te zwijgen zo frequent gebruik wordt gemaakt en dat het advies tot zwijgen van de raadsman tot de standaard-adviespraktijk behoort. De bezoeken in het kader van de piketdienst door de advocaat beperken zich veelal tot dat advies en de afgifte van het visitekaartje opdat de advocaat zich wil vergewissen van de blijvende rechtsbijstand aan verdachten. Aan het advies om te zwijgen wordt vaak toegevoegd dat eerst maar eens moet worden afgewacht wat de opspoorders zoal aan bewijs tegen de verdachte hebben verzameld: bekennen kan altijd nog, maar liefst niet, want dan valt er straks nog wat te pleiten. En wij raadslieden gaan immers voor de vrijspraak, hoewel ook nog erg vaak het inroepen van de niet-ontvankelijk is te horen ondanks dat de Hoge Raad dat verweer nagenoeg ontoegankelijk heeft verklaard. We hopen op rechterlijke ongehoorzaamheid, de titel van het laatste NVSA-congres in december 2014.
Maar wat was er nu zo anders in de tijd na de invoering in 1974 van de mededelingsplicht van art. 29 Sv?

Een omweg
In de aflevering van januari 2015 besprak ik in de Nieuwsbrief Geannoteerd het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2014HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2674. . Het ging om verbalisanten die op verzoek van de verdediging dienden te worden gehoord en die tevoren op het dossier, waarover zij zouden worden bevraagd, plenair waren getraind. Deze kwestie was al eerder aan de Hoge Raad voorgelegd.HR 24 oktober 2000, LJN AA7779. Toen bevestigde de Hoge Raad het juiste oordeel van het hof dat een getuigentraining van deze aard achterwege had dienen te blijven.
Deze opmerking komt in 2014 niet terug, terwijl de situatie ergerlijker lijkt te zijn. Informatie bij de politie geeft aan dat het dagelijkse praktijk is. Toch blijkt daarvan niet uit de gepubliceerde jurisprudentie, behoudens de twee hiervoor genoemde gevallen. Training is dus bepaald niet ongebruikelijk en het lijkt door gehoorde verbalisanten consequent te worden verzwegen.
Dat was ook gebeurd in het arrest van 2014 toen de verbalisanten werden gehoord bij de rechter-commissaris. Aan hen was uitdrukkelijk gevraagd hoe zij zich op dit verhoor hadden voorbereid. De training werd verzwegen. Het hof legt deze verzwijging onbegrijpelijk vergoelijkend uit door te stellen dat de vraag ruim was geformuleerd en door verbalisanten eng uitgelegd. De training had kort tevoren plaatsgevonden en ik zou niet weten hoe de vraag anders gesteld had moeten worden.
We mogen hier spreken van een structureel “verzwijgen=verzuim”, waarin de verantwoordelijke autoriteiten zich onvoldoende, zeg maar geen, inspanningen hebben getroost om aan deze aard van getuigentraining, waarvoor in 2000 reeds was gewaarschuwd, een eind te maken.
Dit doet denken aan de opmerking van de Hoge Raad in het arrest van 19 februari 2013HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:BY5321. waarin aan de verdediging de opdracht werd gegeven om aan de hand van buiten de voorliggende zaak reeds bekende gegevens te onderbouwen dat zich zodanig structureel verzuim voordoet. Die opdracht aan de verdediging is op zijn minst genomen lastig als dat structurele verzuim structureel wordt verzwegen, maar in ieder geval wel bij een van de procespartijen (het OM) bekend is.

Eigenlijk was van een dergelijk structureel verzuim in het arrest van 19 februari 2013 ook sprake, want er bleken vele politiefunctionarissen als onbevoegd hulpofficier van justitie op te treden waarbij het soms zo ver ging dat men de vereiste certificaten vervalste.

Natuurlijk, de opmerking van de Hoge Raad in het arrest van 19 februari 2013 werd gemaakt in het kader van mogelijke bewijsuitsluiting, dat in het arrest van 2014 geen rol vermocht te spelen.
In mijn bespreking van het arrest uit 2014 heb ik geweldig geaarzeld of ik aan mijn betoog de consequentie van niet-ontvankelijkheid zou verbinden. De verdachte werd geenszins geschaad in zijn verdediging en moet hij dan toch van dat verzuim profiteren? Het ging daarenboven om relatief ernstige delicten.

Het ging ook nog eens om rechtmatigheidsgetuigen die moesten verklaren over de mate van verdenking bij het staande houden en aanhouden. Het hof had echter wel vastgesteld dat deze plenaire manier van training op basis van het betreffende dossier per se van invloed is op het geheugen. Het wordt als het ware aangevuld met informatie die eerder niet bestond. Mij dunkt dat dat moet worden beschouwd als de aard van de training waarover geen enkele verantwoording in het dossier was afgelegd en waarover de trainster langdurig bij het hof had gelogen. Pas nadat door de verdediging was verzocht om het opmaken van een proces-verbaal van meineed, gaf de trainster toe dat inderdaad voor het dossier van de training gebruik was gemaakt. Dit optreden van de trainster geeft weinig vertrouwen over de wijze waarop het er bij die trainingen aan toe gaat.
De Hoge Raad wilde kennelijk de dagelijkse praktijk van verzwijgen en niet-verantwoorden in stand houden; de waarschuwing uit 2000 is loos gebleken. In feite geldt dat ook voor het arrest van 19 februari 2013 waarin de Hoge Raad de zaak naar het Bossche hof terugverwees met de boodschap om uit te zoeken of een bevoegde hulpofficier van justitie onder de gegeven omstandigheden die machtiging ook zou hebben verleend. Dit is en blijft moeizaam redeneren, daargelaten dat die opvatting juist niet noopt tot een herziening van deze structurele foute gang van zaken. Hulpofficieren zijn politiefunctionarissen waaraan nadere eisen worden gesteld omdat zij beslissingen nemen die inbreuk maken op grondrechten, die ons dus allen aangaan. En laten we het eens een keer hardop zeggen: de toepassing van strafvordering en strafrecht als ordenend principe gooit geen hoge ogen. Dat wordt door deze jurisprudentie nog eens bevestigd.

Nog een andere zijweg
Het best kijk ik naar de eigen praktijk. Daarvan ken ik, als het goed is, de hoed en de rand. Ter illustratie bespreek ik mijn laatste twee zaken voor het kerstreces, dat ik deze keer zes weken laat duren.

De eerste zaak betrof een in Nederland geboren zwarte Somaliër die zwak begaafd en autistisch is en nog diverse stoornissen heeft. Hij weet niet in de wereld te leven; hij begrijpt er niets van.
Hij is bij de politie goed bekend vanwege allerlei akkefietjes die juist met die onbekendheid hebben te maken. Natuurlijk, hij bezorgt af en toe wat overlast, want met vrouwen kan hij helemaal niet overweg en hij maakt er regelmatig ruzie mee. Om aanvaringen te voorkomen blijft hij de hele dag in bed, behalve op zondag: dan gaat hij naar de kerk. Dat betekent wel dat hij weer in de wereld komt en dus ruzie krijgt wat veelal tot schelden beperkt blijft. De politie zegt aan dat hij zich die dag van het Stationsplein verwijderd moet houden, maar een paar uur later is hij er weer want hij moet met de trein naar huis. Hij overtreedt dus het verbod en scheldt vervolgens de vrouwelijke agent uit; twee delicten die mijns inziens heel gemakkelijk anders hadden kunnen worden opgelost. Maar daarvoor lijken agenten niet meer geëquipeerd en men schiet direct in de strafrechtelijke modus. De zaak wordt aangebracht tezamen met nog twee vorderingen tenuitvoerlegging. Niemand kijkt nog tevoren inhoudelijk naar het dossier; het is allemaal administratieve verwerking door een parketmedewerker c.q. jong afgestudeerde met dito devaluatie van het strafrecht. Van de twee tenuitvoerleggingen komt niets en de politierechter vindt ook dat dit niet het circuit is waar deze man in had moeten belanden: hij legt een geldboete van € 100,- geheel voorwaardelijk op. Hier is niet alleen schade aan het imago van het strafrecht toegebracht, maar hier zijn ook onzinnige kosten gemaakt. De drijfveer lijkt de instandhouding van het apparaat te zijn en niet om rechtvaardig recht te doen.

Gelukkig werd deze zaak nog enkelvoudig behandeld, maar ik maakte al mee dat een eenvoudige winkeldiefstal meervoudig werd afgedaan. “Verspilling is een kenmerk van de strafrechtpraktijk”, schreef Jensma op 8 september 2012 in het NRC. En zo is het.

Stel nu in casu dat de officier bij de voorbereiding, die altijd kort voor de zitting is, ook had bevonden dat deze zaak niet moet worden aangebracht, dan mag hij de dagvaarding op grond van afspraken met de rechtbank niet meer intrekken. Voor politierechterzaken geldt een termijn van drie weken en voor meervoudige kamer-zaken vier weken. En natuurlijk kan de politierechter op grond van die afspraak daarna niet tegen de officier zeggen dat een redelijk denkende officier deze zaak niet had aangebracht, want de officier was na mijn telefoontje best bereid de dagvaarding in te trekken. Deze vrijwillige inlevering van een belangrijke bevoegdheid die volgens de Hoge Raad nauwelijks voor toetsing vatbaar is, zet een klem op het door de officier te hanteren opportuniteitsbeginsel. Immers, wanneer wordt zo’n zaak nu door de officier bestudeerd? Kort voor de zitting of wanneer de advocaat er schriftelijk of telefonisch aandacht voor vraagt? Een verdachte burger die zijn eigen belangen behartigt, komt nergens.
Ik geloof dat de praktijk waarbij de appeldagvaarding niet direct wordt ingetrokken wanneer het appel an sich is ingetrokken door de verdachte na het uitbrengen van de appeldagvaarding, (nagenoeg)geheel is afgeschaft daar het hof meervoudig als uitspraak nog een niet-ontvankelijkheid kon turven. De rechters worden immers afgerekend op het aantal uitspraken. Deze gang van zaken was natuurlijk ook bekend op de werkvloer. Er gaat een corrumperende werking van uit. Zelfs kan de vraag worden gesteld of er geen sprake
is van een strafbaar feit. Door deze handelswijze bewerkstelligen hof en OM dat meer geld wordt uitgekeerd aan het hof dan waarop men recht heeft bij een correcte gang van zaken. Er wordt immers helemaal geen zaak behandeld die moet leiden tot een niet-ontvankelijkheid: het is een samenweefsel van verdichtsels.

Over dit soort oneigenlijk gebruik van overheidsgeld krijgt de rechter te oordelen als er een burger voor haar/hem wordt gebracht.

Mijn laatste zaak voor het kerstreces betrof een zwak begaafde scharrelaar die niet zou weten hoe je met werken je geld kunt verdienen. Hij had weer een nieuwe vriendin, z’n derde, met evenveel verwekte kinderen. Nu woonde hij samen met een forse borderliner en er was pas een kind geboren. Hij moest voorkomen voor iets meer dan drie gram (natte) amfetamine. Hiervoor is
een indicatieve test als bewijs niet voldoende (bij cocaïne en wiet ligt dat anders). De vrijspraak lag dus “voor toewijzing” gereed. Ik zei cliënt dat hij daarvoor niet hoefde te komen, maar dat was hij toch al niet van plan in verband met de nog openstaande boetes. Er kwam dus een voorspelbare vrijspraak.
Het gaat er niet om hoeveel geld voor het gerecht aldus behouden had kunnen blijven, maar hoe veel geld hier verloren gaat, nog afgezien dat van deze routineuze gang van zaken weinig verheffend strafrecht uitgaat.

Terug van de omwegen
De vraag rijst hoe advocaten omgaan met de eigen training van hun cliënten als verdachten en met getuigen die door hen naar voren worden gebracht. Van plenaire trainingen waar verdachten en/of getuigen elkaar over en weer (onbewust) beïnvloeden, zal normaliter geen sprake zijn. En natuurlijk bereidt de advocaat zijn cliënt voor op zittingen. Hij zal stellig het al of niet beroepen op het zwijgrecht doornemen. Als er bewijs ligt dat niet onweersproken kan blijven, dan zal er iets anders moeten worden verzonnen.

Een voorbeeld uit de praktijk:
Een verdachte beroept zich tot en met de eerste pro forma-zitting op zijn zwijgrecht ter zake van een gewapende overval. In het dossier ligt een verklaring van een burgerinformant aan wie hij het verhaal van de overval en zijn deelname eraan zou hebben verteld. Op diezelfde pro forma-zitting verzoekt de advocaat die burgerinformant te mogen horen als getuige. Dit wordt door de rechtbank geweigerd. Hoe verbolgen de raadsman over de afwijzing ook is – het is immers zeer belangrijk bewijs - is de afwijzing alleszins te begrijpen. Door het beroep op het zwijgrecht wordt immers de verklaring van die burgerinformant niet betwist. Het alsnog betwisten op een nadere terechtzitting voelt als mosterd na de maaltijd. De betwisting had immers op de eerdere pro forma-zitting, toen de verzoeken aan de orde waren, kunnen worden gedaan. Eigenlijk heeft de advocaat een onjuiste inschatting gemaakt door te denken dat zo’n cruciale getuige sowieso zou worden toegewezen, maar dan hadden de bezwaren van de verdediging naar aanleiding van wat de verdachte over die verklaring had te zeggen, naar voren moeten worden gebracht. Het zonder grond willen horen van een getuige louter omdat die verklaring belastend is, kan geen reden voor toewijzing zijn.
Het beroep op het zwijgrecht kan en mag geen bewijsmiddel zijn, omdat iedere druk om te verklaren moet worden vermeden. Het recht om te zwijgen richt zich direct tegen iedere vorm van dwang. Dit wil niet zeggen dat er geen dwang mag worden uitgeoefend en, afhankelijk van de ernst van het delict, mag die dwang stevig zijn.

Het beroep op het zwijgrecht houdt niet in dat de verdachte niet verder zou mogen worden bevraagd. De verdachte poogt door zijn beroep op het zwijgrecht zich te onttrekken aan iedere verantwoording, normaliter in de hoop dat het voorliggende bewijs ontoereikend zal zijn voor een veroordeling.

Dit betekent echter niet dat het zwijgen, het niet verantwoorden voor iets dat hem/haar wordt voorgelegd en dat om een be- of verantwoording vraagt, niet in de bewijsconstructie zou mogen terugkeren. Misschien is dat beperkt tot de primafacie-zaak, maar het lijkt dat de rechter vaker van een dergelijke bewijsconstructie waarin het zwijgen van de verdachte wordt meegenomen, gebruik maakt. Dit betekent dat de raadsman vaak niet kan volstaan met het advies om te zwijgen. Hij zal een inschatting moeten maken van de kracht van het in het dossier gebrachte bewijs en in hoeverre dat rechtstreeks zijn of haar cliënt regardeert. Alsdan komt aan de orde hoe hierop te reageren, welk scenario dan naar voren kan of moet worden gebracht.

En aldus is er al gauw sprake van dat tenminste de advocaat met zijn cliënt dat scenario (mee) componeert. Los van de houdbaarheid van het scenario, wordt er een verhaal in elkaar gedraaid dat maar zelden iets met de waarheid van doen heeft, maar (bij voorkeur) zo dicht mogelijk tegen de waarheid aan ligt. En als er meerdere verdachten zijn, moeten die verklaringen dan ook op elkaar worden afgestemd?

De hoofdverdachte in een omvangrijke amfetaminezaak moet nog worden aangehouden. De raadslieden van twee al aangehouden verdachten zorgen ervoor dat de nog aan te houden verdachte van een bevriende raadsman wordt voorzien. Wat kan daar anders dan de bedoeling van zijn dat men onderling kan afstemmen. Het kan allemaal heel subtiel gaan.

Ik geef maar weer een voorbeeld uit de eigen praktijk.

Er rijdt een aantal mensen in een zes weken tevoren gestolen auto met vals kenteken. De politie wil aanhouden, maar er volgt een wilde achtervolging waarbij diverse auto’s sneuvelen. De gestolen auto raakt total loss en de politieauto ernstig beschadigd bij het tot stoppen dwingen van de vluchtauto. De inzittenden springen eruit en slaan op de vlucht, maar de politie weet er al snel drie te grijpen waarover wordt geverbaliseerd. Over de vierde die niet wordt gegrepen, wordt niet gerept, maar die moet ongetwijfeld door de politie zijn gezien.

De drie worden voor dezelfde zitting gedagvaard ter zake heling van de auto en het aanbrengen van een vals kenteken. Er is geen verkeersdelict tenlastegelegd!

Ik sta twee van de drie mannen bij. Een van de twee, de bestuurder, is echter daags voor de zitting weer aangehouden en is er dus niet. Zijn zaak wordt aangehouden.

De andere cliënt beperkt zich tot een verklaring die hij ook zo bij de politie aflegde, inhoudende dat hij alleen op de achterbank heeft zitten blowen en niets weet van de herkomst van de auto en de valse kentekens.

Hij was hartstikke stoned en heeft van een en ander weinig meegekregen (behalve dat hij te voet op de vlucht moest slaan). Er is geen bewijsmiddel voorhanden waaruit zou blijken dat hij
ten tijde van het verwerven wist van de misdadige herkomst van de auto, noch van het vervalste kenteken. Hij wordt vrijgesproken, evenals de andere verdachte.

De niet verschenen verdachte zit in een lastiger parket. Hij was immers de bestuurder en was als een dolle gaan rijden om aan aanhouding te ontkomen (op een gegeven moment rijdt hij 160 kilometer per uur met een lekke voorband). Bij de politie had hij zich op het zwijgrecht beroepen. Bij de bespreking met hem voor de nadere zitting kwam het mij voor dat een beroep op het zwijgrecht ter zitting hem wel eens niet zou baten. Aldus legde ik uit. Ik vroeg hem wie nu eigenlijk de beschikking had over die auto waarin hij had gereden. Ze waren bij de blower op bezoek en bij hem stond de auto voor. Om ‘wat rond te gaan rijden’ waren ze vertrokken.
Ik: “dus die auto was van hem?” Hij: “ja.”
Ik: “wist je iets van de herkomst?” Hij: “niet echt.”
Ik: “dan ga je dat verklaren.”
Hij: “zeker niet, want ik verraad nooit iemand.” Ik: “maar hij is al onherroepelijk vrijgesproken dus jouw verraad raakt hem niet. Hij kan er niet opnieuw voor worden opgepakt.”

Aldus geschiedde en ook deze verdachte werd vrijgesproken en alle schadevorderingen afgewezen.

Ik denk dat dit keurige rechtsbijstand is. Ik heb hem slechts verteld wat zijn positie is en die van de gewezen verdachte. Die kennis mag hij hebben. En natuurlijk vroeg ik niet door toen hij zei: “niet echt”. Ik maakte daar “echt niet” van. Een klein beetje gewrongen heb ik dus wel.

Hier nog een ander voorbeeld waar mijn inbreng indringender was.
Twee mannen worden aangehouden in verband met een grote wietplantage en 700 stekken. Ze zijn meermalen door de politie als enigen in het pand gezien. Bij aanhouding ruikt de auto waarin zij zijn gezeten indringend naar wiet en een van de twee zegt direct ongevraagd dat ze met wiet hebben te maken en bij het eerste verhoor dat de verdenking klopt. Het is niet direct duidelijk welke verdenking, want de aanhouding was ter zake van het ontbreken van een rijbewijs/identiteitsbewijs. De tweede beroept zich op zijn zwijgrecht.
Toch is er wel enige uitleg nodig, gelet op de politiële constateringen. Ik heb een behoorlijk vermoeden wie de eigenaar van de kwekerij is. Hij komt de eigen bijdragen op de toevoeging van beide cliënten betalen. Ik ken die persoon ook als cliënt en hij had eerder met transport van wiet van doen. Deze twee klanten deden het onderhoud.

De zwijger wil blijven zwijgen en de halve bekenner voelt zich genoodzaakt hierbij aan te sluiten. Hij zal dat desgevraagd op zitting niet volhouden, met name als hem wordt gevraagd wat hij bedoelde toen hij stelde dat de verdenking klopt. Hij machtigt mij.
Ik leg de zwijger uit dat hij voor alles wordt veroordeeld als hij bij deze proceshouding blijft. Hij zou zich kunnen beperken tot het bekennen van het in twee termijnen afleveren van de stekken. De twee keer dat zij er zijn gezien (het p-v vermeldt niet hoe vaak er niemand is gezien, waardoor die twee keer meer op een onwaarschijnlijk toeval lijkt) is waargenomen dat zij van voor tot achter door het pand lopen. Ze hoeven de plantage van 2.500 planten strikt genomen niet te hebben gezien omdat die in een afgezonderde ruimte stond, waarbij de toegangsdeur onzichtbaar was gemaakt door een stapel pallets. Het gaat me er nu niet om dat het alternatieve scenario niet slaagde omdat het aanvankelijk zwijgen en nu ter zitting met een ander verhaal komen niet als geloofwaardig werd bestempeld, maar om het feit dat het scenario door mij was bedacht.

De vraag is of dat nu eigenlijk onze taak is als advocaat. Ik schatte in dat het beroep op het zwijgrecht geen baat zou brengen, eerder nadeel met het oog op de mogelijke bestraffing, en ik interpreteerde mijn opdracht zo dat ik er zoveel mogelijk uit moest halen. En dat tegen beter weten in, want ik kon de werkelijke toedracht wel raden. Maar daar vraag ik niet naar.

In een doodschietzaak wist de politie na verloop van tijd dat de vriendin van de schutter alles had gezien. De raadsman van de schutter wist dat veel eerder. Hij had al uitgelegd dat zij stellig een (zeer) belangrijke getuige zou zijn, als de politie erachter kwam dat zij bij de schietpartij aanwezig was. Hij woonde (nog) niet met zijn vriendin samen. Voor een geregistreerd partnerschap hoeft niet te worden samengewoond, waardoor de plicht om te getuigen wegvalt (in tegenstelling tot de partner die 10 jaar samen woont, van de verdachte twee kinderen heeft en al die tijd op hetzelfde adres ingeschreven heeft gestaan). Het komt mij voor dat dit advies van de raadsman toelaatbaar is, ondanks dat er aldus bewijs wordt ‘weggemaakt’. Maar het is geen collusie, overigens een term die in de vergetelheid lijkt te zijn geraakt. Het is geen collusie in de enge betekenis van het woord, waarbij de uitleg beperkt wordt tot het wegmaken van bewijs. In de ruime betekenis houdt collusie in: een heimelijke verstandhouding om de opsporing van strafbare feiten te verhinderen (Van Dale, 14e herziene uitgave).
In het voorbeeld dat de advocaat (mede) het alternatieve scenario componeert - het is natuurlijk ook wat semantisch - wordt niet de opsporing gehinderd, maar wel gepoogd mogelijke berechting te frustreren. De vraag rijst of met deze veel voorkomende werkwijze de goede rechtsbedeling wordt bevorderd, waaronder die van de openbare orde; het onthouden van handelingen die het vertrouwen in de advocatuur schaden (Inleiding en regel 1 van de gedragsregels).

Regel 30 van de gedragsregels bepaalt dat de advocaat zich dient te onthouden van het verstrekken van feitelijke gegevens waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist zijn. Het gecomponeerde alternatieve scenario zal door de verdachte als zijn lezing van de feiten naar voren worden gebracht. Het is dus niet de advocaat die de feitelijke onjuiste gegevens aan de rechter verstrekt – hij heeft immers slechts (mede) gecomponeerd - en bij pleidooi zal de advocaat niet kunnen en mogen afwijken van het feitelijk relaas van zijn cliënt waarvan hij weet dat het niet klopt.

Een alternatief scenario schetsen bij een zwijgende verdachte zal weinig indruk maken. Ik denk dat er velen binnen de (strafrecht)advocatuur niet schromen om een alternatief scenario mede te componeren. Het is in ieder geval een taakopvatting die steeds meer zijn intrede doet en waarover niet of nauwelijks wordt gesproken. Toch meen ik dat het van belang is die discussie aan te gaan, omdat de taakomschrijving of taakopvatting van hetgeen onder te verdedigen belangen wordt verstaan zodoende wordt verduidelijkt.

Het (mede) componeren kan uitdijen omdat, zoals al aangegeven, soms ook getuigen of (advocaten van) medeverdachten erin dienen te worden betrokken, wil het scenario kloppen of aan kracht winnen.
Als een medeverdachte belastend ten aanzien van de eigen cliënt heeft verklaard, dan is het prettig als die zich op zijn verschoningsrecht beroept
als hij op jouw verzoek opnieuw wordt bevraagd (Vidgen-arrest).

Het afstemmen van verklaringen op elkaar met medeweten van de advoca(a)t(en) of zelfs op zijn, haar of hun initiatief, zijn gevaren die direct de bevoorrechte positie van de advocaat mogelijkerwijs bezoedelt. Het werkt corrumperend, zeker als de cliënt voor succes (extra) honorarium betaalt. Dat is de advocaat die in het Huis van Bewaring rondbazuint dat hij in 70% van zijn zaken vrijspraak haalt. Maar de vraag is hoe, als het al waar is.

Of wat te denken van de verdachte die op het politiebureau zit, aangehouden voor witwassen omdat in zijn binnenzak € 7.500,- is aangetroffen. Bij het consultatiegesprek deelt hij mee dat een zoeking wel heel vervelend zou zijn omdat er thuis een grote berg geld ligt. Een telefoontje naar zijn vrouw zou helpen. Nu zal (denk ik) geen advocaat dat telefonisch doen, maar in plaats daarvan de vrouw onverwijld op kantoor laten komen om de zaak te bespreken? En in dat gesprek aan de orde laten komen of er thuis nog belastend materiaal kan worden aangetroffen als het tot een zoeking komt? Er valt zoveel te zeggen en te doen zonder dat de advocaat zich bezwaard voelt colluderend bezig te zijn. Er is sprake van een voortschrijdende versoepeling van het geweten. En ik hoor nog al eens de rechtvaardiging dat het aan de andere kant, politie en OM, ook niet zo nauw wordt genomen. Vandaar dat ik onder meer het verzwijgen van de trainingen, zelfs als hierom wordt gevraagd, aan de orde stelde.

In een zaak die ik mij herinner, was door de superieuren van twee politie-infiltranten opgedragen om op vragen van de verdediging over een aantal naar de verdachte toegezonden telefoongesprekken onwaarheid te spreken. Het zal best ook “aan de andere kant” niet altijd netjes verlopen, maar is dat een rechtvaardiging om ook maar het eigen geweten op te rekken?

Uitleiding
Ik heb zij- en omwegen bewandeld omdat ik het niet kan laten, maar het heeft ook een bedoeling, namelijk om aan te geven dat het strafproces aan alle kanten erodeert. De echte discussies blijven achterwege. De nieuwe negentien voorstellen tot herziening van ons strafproces zijn wat dat betreft een schijnmanoeuvre. Het zal niets oplossen, maar de techneuten zijn weer een tijd zoet. Het strafrecht als ordenend stelsel waarop we kunnen vertrouwen, heeft
als zodanig zijn beste tijd gehad als er niet snel keuzes worden gemaakt. We kunnen de straffen voor de paar zaken die bij de rechter komen niet blijven opstuwen. We kunnen niet meer toezicht op de toezichthouders zetten. Er moet een nieuwe visie komen en persoonlijkheden die dat uitdragen, een nieuwe vorm van binding waar we ons omheen scharen. De neo-liberale kant die we nu opdwarrelen, beperkt zich tot de vrije markt terwijl de overige liberale uitgangspunten te grabbel worden gegooid. Er komt helemaal niets terecht van de sociaal-democratische uitgangspunten die uitgaan van wat ons samen bindt.

Ik word ook gedreven door een soort woede. Ik heb in die veertig jaar, sedert mijn afstuderen, zoveel goede mensen in advocatuur, en de rechterlijke macht, zittend en staand, en in de wetenschap leren kennen, dat ik echt meen dat die discussie serieus tot stand moet komen. Het zijn mensen die het zo verschrikkelijk goed bedoelen, maar op een of andere manier worden gehinderd daaraan vorm te geven en zich laten meezuigen in een lopend proces.

Ik hoop er dit jaar elders wat uitvoeriger op in te gaan. Voor het idee wil ik hier volstaan met twee nog nader uit te werken voorbeelden.
In mijn column in het kerstnummer van het Strafblad 2014 vermeldde ik terloops het fundamenteel foute denken dat ten grondslag ligt aan richtlijnen en, nog meer, aan oriëntatiepunten: in beginsel moet de rechter voor een soortgelijke zaak in Groningen en Maastricht hetzelfde straffen. Het is interessanter te weten waarom die rechter in Groningen en Maastricht dat doen. Het doen alsof twee zaken gelijksoortig zijn en derhalve eenzelfde bestraffing verdienen, miskent namelijk de essentie dat altijd de oorzaken verschillend zijn.

Als die uniciteit uit een soort gemakzucht wordt miskend, dan weerhoudt uiteindelijk niets om de straf te laten geven door de computer. Het is dan immers slechts een kwestie van het invoeren van gegevens. En wat we eigenlijk echt willen, is begrijpen wat iemand heeft bewogen. Dat vereist communicatie en daar is niet meer de tijd voor. We volstaan eventueel met rapportages waarin op ons niveau problematiek wordt geduid, liefst verwijzend naar het ziektebeeld met etiket uit de DSM V.
Mijn tweede voorbeeld betreft de volkomen verkeerd ingeslagen weg met slachtoffers die nu quasi hun zegje mogen doen en hun schade- claim indienen. Het gaat uiteindelijk om de vermaterialisering van leed, want daarvoor hebben we lijstjes. Het heeft evenwel niets van doen met een werkelijke verbetering van de positie van het slachtoffer. Daarvoor is nodig dat allereerst wordt gekeken wat er in die situatie nodig is en daarop zo nodig eerste (voorlopige) maatregelen treffen als zich een incident voordoet. In dat geval worden woede en wraaklust gekanaliseerd en is er op de eerste plaats aandacht voor het slachtoffer.

Ik herinner mij een voorbeeld van een moeder wier zoontje van vijf jaar seksueel was misbruikt. Haar primaire reactie was de pedoseksueel te vermoorden. Zij en haar zoontje werden uitstekend door de zedenpolitie opgevangen. Het zoontje moest de verdachte van achter de spiegel herkennen, maar het zoontje durfde niet want kon niet begrijpen dat de verdachte hem niet kon zien. Zeg maar liefdevol werd talloze malen naar de spiegel teruggegaan totdat haar zoontje het geloofde. Het was deze behandeling in dit geval die bij de moeder alle woede en wraakgevoelens wegnam. Ze heeft nooit meer geïnformeerd naar de afloop van de strafzaak, noch werd overwogen een schadeclaim in te dienen. Het is dertig jaar geleden en er is in het geheel geen sprake van een door dit incident bij het kind ontwikkeld trauma.