HR 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:83

Ramon Vastmans
R. Vastmans is masterstudent Burgerlijk recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

1. In deze zaak woedt een rechtsstrijd over de interpretatie van de verzekeringsvoorwaarde die schade als gevolg van voorwaardelijk opzettelijk handelen van dekking uitsluit (‘de betwiste voorwaarde’). Evenals voor de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is voor de uitleg van haar inhoud hetgeen partijen hebben bedoeld leidend (W.L. Valk in Hijma e.a. 2010, nr. 262). Ook wanneer een beding in geschrifte is neergelegd, zal bij een geschil omtrent de inhoud daarvan in beginsel moeten worden onderzocht wat partijen voor ogen hadden. Indien een heldere gemeenschappelijke bedoeling van partijen bijvoorbeeld niet uit eerdere verklaringen valt te ontwaren, zoals ook in de besproken uitspraak, is het de vraag wat een redelijke uitleg van het beding zou meebrengen (Asser/Wansink, Van Tiggele-van der Velde 7-IX* 2012, 356). In de betwiste voorwaarde noch elders in de overeenkomst is ‘rijden onder invloed’ evenwel uitdrukkelijk als uitsluitingsgrond in de toepasselijke voorwaarden opgenomen. In hoger beroep slaagt verzekerde, die ten tijde van het schadebrengend ongeval te diep in het glaasje gekeken had, in zijn betoog dat deze laatste betekenis redelijkerwijs niet tóch aan de betwiste voorwaarde mag worden toegekend.

2. Inderdaad vormt de zin die partijen in de
gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs
aan een bepaling mochten toekennen
en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs
van elkaar mochten verwachten in beginsel
de (‘subjectieve’) maatstaf voor de uitleg van
contractuele bedingen (HR 13 maart 1981, NJ
1981/635 (Haviltex)). Hoewel de Hoge Raad de
Haviltex-maatstaf op algemene verzekeringsvoorwaarden
van toepassing acht, zal de uitleg
daarvan met name afhangen van objectieve
factoren zoals de bewoordingen (HR 16 mei
2008, NJ 2008/284 (Chubb/Dagenstaed)). Dat
is een toepassing van het arrest DSM/Fox (HR
20 februari 2004, NJ 2005/493), waaruit volgt
dat er geen tegenstelling bestaat tussen de
in rov. 3.6 van het opgenomen arrest gerelateerde
maatstaven. Het gaat om één spectrum
met een vloeiende overgang tussen de uiteinden,
zijnde de ‘subjectieve’ Haviltex-maatstaf
enerzijds en de ‘objectieve’ CAO-maatstaf
anderzijds. In de besproken zaak casseert
de Hoge Raad. Het hof heeft nagelaten volledig
aan de Haviltex-maatstaf te toetsen, zie rov.
3.7. Hoewel de wetenschap van het algemene
publiek (rov. 3.15-16 vernietigd hofarrest) wel
van betekenis is, had het hof op alle relevante
omstandigheden in dienen te gaan.

3. Uit de definitie van (handelen met) voorwaardelijk
opzet volgt objectief gezien maar één
betekenis, te weten het willens en wetens
aanvaarden van de aanmerkelijke kans op
het intreden van een gevolg. Bij oppervlakkige
lezing van rov. 3.6 lijkt dan curieus dat de
Hoge Raad de ‘contra proferentem’-uitleg als
handvat aanreikt. Art. 6:238 lid 2 BW vereist
tenslotte dat er over de betekenis in redelijkheid
twijfel mogelijk is; evidente uitsluiting van
dekking belet toepassing daarvan (Rb. Arnhem
10 oktober 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY0556,
rov. 4.7). Niettemin behoeven ook op het
eerste oog duidelijke bewoordingen uitleg. Van
belang is de door de Hoge Raad als volgt toegespitste
regel dat “(…) in de omstandigheden
van het geval duidelijk en begrijpelijk moet
zijn geweest dat een schadevoorval zoals het
onderhavige met dit beding van dekking zou
zijn uitgesloten” (rov. 3.6). Een m.i. niet onbelangrijke
omstandigheid is in casu dat ‘voorwaardelijk
opzet’ een door de professional
gebruikt juridisch begrip is. De kans op onbekendheid
met de inhoud daarvan zijdens de
doorgaans juridisch-ondeskundige consument
is groot. Derhalve mag een hogere mate van
begrijpelijkheid en volledigheid van de tekst
worden verwacht (vgl. Rb. Utrecht 10 augustus
2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BT7579, r.o.
3.8/3.10). De vraag of twijfel over de betekenis
mogelijk is wordt naar mijn mening aldus door
context ingekleurd (vgl. M.J. Tolman, ‘De uitleg
van de dekking onder de polis’, AV&S 2008,
3.5).14

4. Ook buiten de reikwijdte van 6:238 lid 2 BW
legt toepasselijkheid van de Haviltex-maatstaf
een rol weg voor bovengenoemde en de hieronder
te bespreken hoedanigheid van partijen
en de te verwachten (rechts)kennis. De verwachtingen
die de verzekerde redelijkerwijs
mocht hebben van het dekkingsbereik in het
licht van de omstandigheden van het geval zijn
daarbij ook in aanmerking te nemen. De Hoge
Raad wijst daar in rov. 3.5 uitdrukkelijk op.
Ook juridische/verzekeringstechnische leken
weten dat er – en waar ongeveer de – grenzen
zijn aan de overeengekomen dekking. Het is
de vraag of de verzekerde de betwiste voorwaarde
in redelijkheid aldus mocht begrijpen
dat niet van dekking werd uitgesloten schade
als gevolg van het in uiterste staat van dronkenschap
besturen van zijn auto. Die vraag
moet volgens de Hoge Raad worden beantwoord
in samenhang met de gewoonte om
zulks iedere donderdag- en vrijdagavond te
doen, die hij ten tijde van de totstandkoming
van de overeenkomst al erop nahield. Tevens
moeten op grond van vaste rechtspraak de
aard en strekking van de betreffende (verzekerings)overeenkomst
daarbij worden betrokken
(HR 18 oktober 2002, NJ 2003/258, rov. 3.4,
HR 19 oktober 2007, JOR 2008/23 (Vodafone/
ECT), rov. 3.4). Uit lagere rechtspraak blijkt dat
gezien de aard en strekking van een WAM-verzekering
de doorsnee consument geacht moet
worden te weten dat dekking in het geval van
rijden onder invloed is uitgesloten (Rb. Arnhem
7 juli 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BN2933, r.o.
4.6). In deze zin kan een feit van algemene
bekendheid dus wel degelijk ‘doorwerken’ in
de uitleg van de overeenkomst.

5. Hoe zwaar wegen de hierboven in 3 en 4
gekwalificeerde omstandigheden ten opzichte
van de gekozen bewoordingen, waarvan de
uitleg tenslotte met name zal afhangen? Ik
stel voorop dat de verzekerde voor een hem
batende uitleg – al dan niet ex art. 6:238 lid
2 BW – een voldoende aannemelijke afwijkende
interpretatie c.q. partijbedoeling moet
stellen en bewijzen. Zo niet, dan vindt uitleg
‘contra preferentem’ geen toepassing althans
dient van de taalkundige betekenis naar gangbaar
spraakgebruik in de betreffende kring
van het maatschappelijk verkeer te worden
uitgegaan (M.L. Hendrikse, ‘Uitleg van verzekeringsvoorwaarden’,
NTHR 2008/4, p. 153
resp. HR 23 december 2005, JOR 2006/117
(De Rooij/Van Olphen), rov. 3.6). In de stellingen
van verzekerde ligt in wezen slechts
een a contrario-redenering besloten: aangezien
de betreffende overeenkomst geen alcoholclausule
bevat, mocht hij erop vertrouwen
dat schade veroorzaakt door rijden onder
invloed niet van dekking was uitgesloten. Op
zich is zulk een redenering al zwak (Asser/
Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010/376g). De
behandelde omstandigheden maakt haar nog
minder geloofwaardig. Indien aanvaard, zou
het (onaannemelijke) rechtsgevolg bovendien
zijn, dat TVM zich in geen geval op de betwiste
voorwaarde kan beroepen. Met A-G Wuisman
(nr. 2.4.1) meen ik dat die vlieger niet opgaat.