Rb. Gelderland 19 maart 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:2214 (AgruniekRijnVallei/Givar)

Olaf Ifzaren
O.Y. Ifzaren is masterstudent Burgerlijk Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

1. In casu gaat het om enkele honderden, ter slacht afgevoerde Overijsselse varkens. Partijen beweren allerlei goederenrechtelijke rechten op deze varkens te hebben gehad. Het vonnis ziet onder meer op de vraag of deze rechten waren komen te vervallen, hetzij door het al dan niet hebben plaatsgevonden van (on)eigenlijke vermenging van de varkens, hetzij omdat er door vetmesting van de biggen sprake zou zijn geweest van zaaksvorming in de zin van art. 5:16 BW.

2. De rechtbank stelt dat de vragen nauw met elkaar verbonden zijn en kiest ervoor om ze door elkaar heen te behandelen. In r.o. 4.4 lijkt de rechtbank de vraag te willen beantwoorden of varkens in het algemeen individueel bepaalbaar zijn en verwijst ze expliciet naar het arrest Nieuwe Matex (HR 10 februari 1978, NJ 1979, 338), waarin is bepaald dat eigendom of bezit van uitsluitend naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken niet mogelijk is.

3. In r.o. 4.6 lijkt het antwoord in beginsel negatief te luiden, maar in r.o. 4.7 concludeert de rechtbank dat de varkens door middel van oormerken waren verheven van soortzaak tot zelfstandige, specifieke dieren. Het begrip soortzaak wordt doorgaans gebezigd ten aanzien van zaken die slechts naar hun generieke eigenschappen bepaald zijn, zoals granen, vloeistoffen en ijzer (Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/96). De rechtbank, met Bartels & Van Mierlo overigens, koppelt het begrip echter ten onrechte aan het soort zaak waar de zinsnede van Nieuwe Matex op doelt. Hier begint naar mijn idee de denkfout van de rechtbank.

4. Waar Nieuwe Matex namelijk op ziet is dat het iet mogelijk is om eigenaar te zijn van ‘een
kilo graan’, doch slechts ‘deze kilo graan’. Evenmin kan men eigenaar zijn van ‘twee varkens’ of ‘een blokhut’ maar wel van ‘deze twee varkens’ en ‘deze blokhut’. Het verschil zit hem bij Nieuwe Matex in het aanwijzend voornaamwoord en dus niet, zoals de rechtbank lijkt te suggereren, in de individualiseerbaarheid van een bepaald soort zaak in zijn algemeenheid of het al dan niet bepaald zijn aan de hand van generieke eigenschappen.

5. Nieuwe Matex bevestigt dus dat er van abstract, ongespecificeerd eigendom geen sprake kan zijn, ongeacht of het eigendom van een soortzaak betreft. De verwarring zit hem waarschijnlijk daarin dat Nieuwe Matex over benzeen ging, een soortzaak. De overweging dat eigendom of bezit van uitsluitend naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken niet mogelijk is, was echter expliciet een zijdelingse opmerking die verder niets met de casus van doen had.

6. Ik zou zelfs willen betuigen dat het begrip ‘soortzaak’ überhaupt geen juridische betekenis heeft. Het hangt immers altijd van de omstandigheden van het geval af wat voor goederenrechtelijke gevolgen bepaalde gebeurtenissen voor een bepaalde zaak hebben. Stel:
een varkensherder heeft een rotte van tien varkens. Juridisch gezien is de herder eigenaar
van tien losse varkens, niet van een groep van tien varkens. Hij kan weliswaar zijn hele
rotte als zodanig verkopen, maar goederenrechtelijk gezien draagt hij de varkens elk individueel over. Komt de rotte plots in een stal terecht waar zich al 5.000 varkens bevinden dan zijn de individuele varkens nog steeds zaken op zich. Het is moeilijk te verdedigen dat deze 5.000 varkens samen één zaak vormen. Varkens vermengen dus ook niet overeenkomstig 5:15 jo. 5:14 BW. Zolang de kleinere rotte aan de hand van wat dan ook aanwijsbaar is, blijft de herder zonder complicaties eigenaar van zijn varkens.

7. Zelfs bij niet-aanwijsbaarheid is er overigens geen sprake van een goederenrechtelijk probleem, doch slechts van een bewijsprobleem (vgl. Teixeira de Mattos, HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274). Het eigendom op een niet-aanwijsbaar varken gaat ook dan niet door vermenging of natrekking teniet; een revindicatie door de herder is hooguit niet toewijsbaar totdat het varken aanwijsbaar blijkt, bijvoorbeeld door een litteken, moedervlek of oormerk. Pas bij natrekking of vermenging tot één zaak gaat eigendom ‘echt’, dus voorgoed, verloren. Een maiskorrel verdwijnt bijvoorbeeld in ‘de hoop’ maiskorrels, dat is volgens de verkeersopvattingen immers één zaak. Dit is niet anders wanneer hij aanwijsbaar en individualiseerbaar blijft omdat hij bijvoorbeeld blauw geverfd is. Vermenging van onderling individualiseerbare zaken (of, zo u wilt: niet-‘soortzaken’) is ook mogelijk, anders dan Heisterkamp stelt (Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht nr. 514). Individualiseerbare stukken huisvuil (een wc-bril, een eierdoos, een oude sok etc.) kunnen mijns inziens prima vermengen tot een
kubieke meter vuilnis.

8. Het bij voorbaat labelen van zaken als soortzaak is goederenrechtelijk gezien dus zinloos
en onnodig complicerend. De rechtbank maakte het nog een stapje moeilijker door het begrip te koppelen aan Nieuwe Matex. Hierdoor was het nodig om eerst te betogen dat eigendom op varkens in beginsel niet mogelijk is omdat het soortzaken zijn, dit vervolgens op een wat onhandige manier te weerleggen en pas dan de bewijskwestie te behandelen. Een overbodige omweg, dunkt me. Overigens werd het bewijsprobleem in casu vrij eenvoudig opgelost: de varkens waren geoormerkt en bleven daardoor gewoon aanwijsbaar.

9. De andere kernvraag zit hem in zaaksvorming. De biggen zouden immers zijn uitgegroeid tot heuse slachtvarkens en zouden daarmee een andere identiteit hebben verkregen. Partijen betwisten niet dat er sprake was van reële arbeid, wel dat er sprake was van een ‘nieuwe zaak’.

10.Het begrip ‘nieuwe zaak’ van art. 5:16 BW wordt ingekleurd door de verkeersopvattingen,
die laten zich zelden overtuigend beargumenteren. De rechtbank stelt in r.o. 4.5 en 4.6
dat de economische waardeverandering van een dier niet doorslaggevend is, meent dat een
varken eigen gevoelens en een zekere individuele intelligentie heeft, bepaalt vervolgens dat
een big geen ei is en een varken geen kuiken (vgl. Hollander’s Kuikenbroederij, HR 24 maart
1995, NJ 1996, 156) en concludeert dat ze met veulens en paarden ook niet te vergelijken zijn.
Om het verhaal nog verwarrender te maken oordeelt de rechtbank dat biggen in het algemeen
niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Conclusie: geen nieuwe zaak. De gekunsteldheid van de overweging is op zich begrijpelijk aangezien de rechtbank er tevens
mee beargumenteert dat varkens geen soortzaken zijn. Het buiten beschouwing laten van
deze (zoals betoogd onnodige) indeling zou de begrijpelijkheid van de motivering hebben
gebaat. De rechtsvragen los van elkaar behandelen overigens ook.

11. Hoewel ik het eens ben met het eindoordeel dat een big een varken is wil ik er enkele kanttekeningen bij maken. Allereerst hoort de economische waarde van een zaak an sich inderdaad niet van invloed te zijn op zijn identiteit. Een goedkoop huis is ook evengoed een huis. Daarnaast lijkt het me onwerkbaar om de te vervullen functie van dieren bepalend te laten zijn voor hun identiteit. Als onze favoriete filmbig Babe, die als slachtbig begon, na zijn succesvolle carrière als herdersbig met pensioen gaat en vredig oud wordt, verandert hij dan tweemaal van identiteit? Van slachtbig naar herdersbig naar huisbig? Ik meen van niet en zie geen reden om een willekeurige andere big anders te behandelen. Hierin verschillen dieren van levenloze zaken omdat de kernfunctie van een levend dier toch echt ‘leven’ is: die houdt pas op bij ‘s diers dood.

12.Ter afsluiting de opmerking dat het bij de meeste groeiende wezens ondoenlijk is om een
moment te duiden waarop ze van gedaante zouden veranderen. Bij slachtvarkens is het probleem zelfs tweeledig: de slachtrijpheid die de gedaanteverwisseling van een big zou inluiden zou afhankelijk zijn van zowel de volgroeiing van de big als van het einde van het vetmestproces. Het zou de rechtszekerheid van varkensleveranciers niet baten wanneer zekerheden op varkens afhankelijk zouden zijn van het voldoen van de varkens aan eigenschappen zo abstract als ‘slachtrijpheid’ en ‘volwassenheid’. Laat een varken dan maar gewoon een varken zijn.