Weer thuis

Bas Kortmann
S.C.J.J. Kortmann is hoogleraar Burgerlijk Recht en voormalig rector magnificus van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Van mei 2007 tot oktober 2014 mocht ik rector magnificus van onze mooie universiteit zijn. Bij
gelegenheid van de rectoraatsoverdracht gaf het College van Bestuur mij een prachtig cadeau, een
boek van onze universiteitshistoricus dr. Jan Brabers, getiteld “Een zoet juk, Rectores magnifici van deRadboud Universiteit over hun rectoraat 1923-2014”. Op de achterzijde van dit boek schrijft Brabers:

“Het ambt van rector magnificus is oud en voornaam. De hoogleraar die het
bekleedt is de eerste onder zijn gelijken, treedt naar buiten op namens de universiteit
en vormt binnen het bestuur ‘het geweten’ van het onderwijs en het onderzoek.
Achtenswaardig en omgeven met academische tradities is het ambt tegelijk
ook zwaar. Een rector heeft grote verantwoordelijkheden en vele taken; aan de
beoefening van de wetenschap komt hij niet meer toe. Een van de rectores magnifici
uit het verleden van de Radboud Universiteit noemde het rectoraat een ‘zoet
juk’. Dit boek verschijnt bij gelegenheid van het afscheid van prof.mr. Bas Kortmann
als rector magnificus, de 57e
in de geschiedenis die het zoete juk mocht
torsen.

Bij traditie houdt de rector aan het einde van zijn ambtstermijn in een plechtige
ceremonie een overdrachtsrede en draagt hij zijn waardigheid over aan zijn
opvolger. De overdrachtsrede is wel vergeleken met een ‘pruttelend potje waaruit
allerlei ontboezemingen opwasemen’. Voor dit boek is een selectie gemaakt van
citaten uit alle Nederlandse overdrachtsredes, met twee thema’s: waarmee hield
de rector zich in zijn ambtsperiode bezig? En hoe heeft hij het rectoraat ervaren?
Het resultaat is een merkwaardige portrettengalerij, die een onalledaags facet van
de universiteitsgeschiedenis belicht.”

Het boekJan Brabers, Een zoet juk. Rectores
magnifici van de Radboud Universiteit
over hun rectoraat 1923-2014, Valkhof
Pers 2014, hierna: Een zoet juk.
bevat veel lezens- en wetenswaardigs over de geschiedenis van
de Radboud Universiteit en haar rectores. Het laat zien hoe de rol van de
rector in de loop der jaren is veranderd, ook al is deze steeds “het geweten”
van onderwijs en onderzoek gebleven. Tot 1970 werd de rector gekozen
door de hoogleraren (de senaat) en was de zittingstermijn één jaar. Een uitzondering
hierop vormde de hoogleraar Romeins recht en oud-vaderlands
recht, prof.mr. B.H.D. Hermesdorf die van 1942-1945 rector magnificus was.
De moed van deze rector in de oorlogsjaren verdient nog steeds ontzag en
lof. Hermesdorf weigerde indertijd op principiële gronden mee te werken
aan de plannen van de nazi’s, die wilden dat studenten een loyaliteitsverklaring
aan de bezetter zouden tekenen. Doordat loyaliteitsverklaringen van de
studenten uitbleven, konden zij niet langer studeren. Hermesdorf is daarop
overgegaan tot sluiting van de universiteit. Het toenmalige hoofdgebouw aan
het Keizer Karelplein heeft hij eigenhandig afgesloten.

De laatste rector die voor een termijn van één jaar (1968-1969) het ambt
bekleedde, was prof.mr. S.F.L. baron van Wijnbergen (1913-2006), hoogleraar
staatsrecht, bestuursrecht en bestuurskunde aan onze faculteit.
“Rampjaar voor de een, jaar van hoop voor de ander, en voor ieder die bij
de universiteit betrokken was een “jaar van beroerten”, zo is het academisch
jaar 1968/196Zie Katholieke Universiteit Nijmegen
1923-1973, een documentboek, Uitgeverij
Ambo 1974 (KU Nijmegen 1923-1973), p. 341.
9 de geschiedenis ingegaan”.
Het was het begin van de studentenrevolutie die vanuit Berkeley/Calif. (1964) via Tokio (1966) en
Berlijn in Parijs (mei 1968) tot een revolutie is uitgegroeid en vervolgens is
overgewaaidZie KU Nijmegen 1923-1973, p. 341. naar Tilburg en Nijmegen en even later naar Amsterdam.3 De
thans weer vooral in Amsterdam gehoorde roep om meer democratisering
klonk indertijd veel breder en heftiger. Dat geldt zeker ook voor NijmegenZie Een zoet juk, p. 108-109..4
Radicaliserende studenten eisten een platte “radenuniversiteit”. Op
elk bestuursniveau moesten alle geledingen een gelijkwaardig medebeslissingsrecht
krijgen. Studenten zetten vanaf eind 1968 hun eisen kracht bij
met acties. Aanvankelijk ging het om de verstoring van colleges en een protestbijeenkomst
in de Aula. Maar daarbij bleef het niet. De viering van het
negende lustrum van de universiteit in april en mei 1969 liep uit de hand.
De Aula werd bezet en, zoals Brabers schrijft, omgedoopt in een “permanent
diskussiesentrum”. Er was sprake van chaos waarbij vooral de studenten
bepaalden wat er gebeurde. Van Wijnbergen verloor het vertrouwen van
een vooraanstaand deel van de hoogleraren, voornamelijk afkomstig uit de
Faculteit der Rechtsgeleerdheid en de Medische Faculteit. Hij zag zich daardoor
genoodzaakt zijn ambt neer te leggen. Om de universiteit weer in rustiger
vaarwater te brengen werd besloten een “rectoraal” (of bestuurlijk?Het is de vraag of de term "rectoraal"
geheel correct is. In ieder geval vervulde het
driemanschap de taken van de rector.
“Het is heerlijk terug in
de faculteit te zijn. In
het bijzonder de sectie
burgerlijk recht, die in
de afgelopen jaren nog
flink is gegroeid, geeft
mij het gevoel weer
thuis te zijn”
) driemanschap aan te stellen bestaande uit prof.dr. G. Brenninkmeijer (1931),
hoogleraar psychologie van arbeid en bedrijf, met inbegrip van ergonomie,
prof.mr. W.C.L. van der GrintenProf. Van der Grinten was mijn promotor en
ik ben hem in 1984 als hoogleraar burgerlijk
recht opgevolgd.
(1913-1994), hoogleraar burgerlijk recht6 en
prof.dr. Ch.M.A. Kuijper (1920-1986), hoogleraar chemische cytologie. Dit
trio heeft de universiteit geleid van 1969-1972. Ik kom hierna nog op deze
periode terug. Vanaf 1972 was de zittingsperiode van de rectores drie, vier
of vijf jaar. Mijn voorganger prof. C.W.P.M. Blom (1946), hoogleraar experimentele
plantenecologie, was zeven jaar en bijna vijf maanden rector. Zelf
heb ik zeven jaar en ruim vijf maanden het “zoete juk” mogen torsen. Het
gewicht van het juk viel best mee, het was meer zoet dan zwaar. Wel vergde
het rectoraat zo veel tijd – ook ‘s-avonds en in het weekend – dat ik maar
weinig aandacht aan mijn eigenlijke vak, het burgerlijk recht, heb kunnen
schenken. Gelukkig is daarvoor nu weer alle ruimte. Het is heerlijk terug
in de faculteit te zijn. In het bijzonder de sectie burgerlijk recht, die in de
afgelopen jaren nog flink is gegroeid, geeft mij het gevoel weer thuis te zijn.

Het “rectorale” driemanschap, dat in 1969 aantrad, was een unicum voor
Nijmegen en ook binnen Nederland. Het Nijmeegs Universiteitsblad dat
gerund werd door studenten, schreef over de taakverdeling binnen het
driemanschap: “Van der Grinten stelt de redevoeringen op, Kuijper tiept
ze uit en Brenninkmeijer draagt ze voor”. Het driemanschap maakte over
het jaar van Van Wijnbergen en over het jaar 1969-1970 een schriftelijk
“Verslag”. Wie de verslagen leest, herkent daarin de schrijfstijl van Van
der Grinten: zakelijk, bondig en zonder wollig taalgebruik dat stukken van
bestuurders (en politici) zo vaak kenmerkt. De beschrijving van de taakverdeling
binnen het driemanschap door de studenten lijkt op zijn minst voor
een deel juist te zijn. Het “Verslag” over het academisch jaar 1969-1970
bevat passages die voor de thans plaatsvindende discussie over de democratisering
van universiteiten nog steeds actueel zijn. Over de desiderata
waaraan de bestuursstructuur van een instelling van wetenschappelijk
onderwijs moet voldoen, valt het volgendeEen zoet juk, p. 113-114.
“Het gewicht van het juk
viel best mee, het was
meer zoet dan zwaar”
te lezen:

“Centraal staat het doel van de universiteit, dat kan worden aangeduid als
vorming, onderwijs en onderzoek. De struktuur moet zodanig zijn, dat de verwezenlijking
van deze doeleinden van de universiteit, die tevens de maatschappelijke
taak van de universiteit moet aanduiden, zo goed mogelijk wordt gediend. De
organisatie van de universiteit moet dienstbaar zijn aan haar doel. Bij overweging
van wijzigingen van inrichting en organisatie behoort steeds de belangrijkste toetssteen
te zijn de vraag of deze bevorderlijk is voor het doel van de organisatie.

Een desideratum dat in de discussie van de laatste jaren een sterk accent heeft
gekregen is de zogenaamde democratisering. De geladen term democratisering
heeft een weinig duidelijke inhoud. Onder democratisering van het wetenschappelijk
onderwijs kan men vooreerst verstaan, dat het wetenschappelijk onderwijs
openstaat voor de gehele bevolking, dat niet geboorte of fortuin, de maatschappelijke
positie van de ouders, de toegang van de studenten tot de universiteit
bepalen, en voorts dat een open competitie geschiedt voor de vervulling van de
plaatsen in het wetenschappelijk corps. Deze democratisering, die maatschappelijk
hoogst belangrijk is, is door alle instellingen van wetenschappelijk onderwijs
met overtuiging gesteund.

De democratisering wordt dan gerelateerd aan de bestuursinrichting van de universiteit,
van de faculteiten en de daaronder ressorterende kleinere eenheden.
Omtrent de vraag wat deze democratisering zou moeten inhouden, bestaat veel
verschil van gevoelen. Is het democratisch ideaal een stelsel van one man – one
vote, waarbij elke beslissing van enige importantie aan een “volksvergadering”
wordt voorgelegd; moet voor de universiteit worden gedacht aan een stelsel van
vertegenwoordigende democratie in de trant van de staatkundige democratie bij
de territoriale lichamen als provincie en gemeente; moeten in het model functionele
elementen worden opgenomen in dier voege dat de universitaire populatie
wordt verdeeld in functionele groepen die elk medezeggenschap hebben?

Of democratisering in de zin van medebeslissing van een ieder – direkt of indirekt
– in alle organen van de universiteit een zelfstandige waarde heeft, mag
ernstig worden betwijfeld. Een democratische inrichting is slechts waardevol,
indien en voor zoverre zij bijdraagt tot de vorming van de mens en tot de kwaliteit
van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. In deze visie zal bij elk voorstel tot democratisering zorgvuldig moeten worden overwogen, of het voorstel universitaire
doeleinden bevordert dan wel schaadt. Anders gezegd, de democratisering
mag geen schade toebrengen aan de doeleinden van de universiteit.

Een belangrijk desideratum is voorts de effectiviteit van het universitaire bestel.
Men kan wellicht spreken van een recht op efficiency. Een recht van de studenten,
omdat zij van de universiteit mogen verwachten dat hun een goede opleiding
wordt geboden en dat zij niet meer tijd aan hun universitaire vorming en studie
behoeven te besteden dan voor een introductie in het gekozen wetenschapsgebied
nodig is; een recht van het personeel van de universiteit, omdat zij mogen
verlangen dat zij hun arbeid als zinvol kunnen aanvaarden; een recht ook van de
staatsgemeenschap, omdat de Nederlandse universiteiten geheel uit gemeenschapsgelden
worden bekostigd.”

De medezeggenschap aan onze universiteit is evenwichtig vorm gegeven
en is effectief. De invloed van studenten en staf op het bestuur van onze
universiteit is groot, wellicht groter dan velen denken. Dat komt voor een
belangrijk deel op het conto van de Universitaire Studentenraad (USR) en de
Ondernemingsraad (OR). De leden van beide raden nemen hun taak serieus,
zijn goed ingevoerd en kiezen doorgaans voor een constructieve opstelling.
Ik was – meestal blij – verrast door de vele initiatieven die met name door
de USR in de loop der jaren werden genomen. Ik noem als voorbeeld de
jaarlijkse universitaire sportdag en volsta daarnaast met het laatste “wapenfeit”:
het Radboud Cultuurcentrum. De USR is blijven aandringen op realisatie
van een universitair cultuurcentrum en de huidige rector heeft bij zijn
aantreden deze handschoen opgepakt. De invloed die studenten en medewerkers
langs de informele weg uitoefenen op het College van Bestuur
(CvB), is minstens zo belangrijk. Zo voert het CvB periodiek overleg met de
presidia van de USR en de OR. De rector heeft samen met de Dienst Studentenzaken
(DSZ) maandelijks besprekingen met het presidium van de USR.
Daarnaast overlegt de rector één keer in de zes weken met de studentassessoren
van de faculteitsbesturen. Voorts noem ik hier het “Rector on
tour-programma” waarbij de rector jaarlijks alle faculteiten bezoekt. Bij al
deze vergaderingen, besprekingen en ontmoetingen worden de gespreksonderwerpen
in belangrijke mate door de studenten bepaald. De effectiviteit
van de medezeggenschap is overigens mede te danken aan het feit dat het
CvB oog heeft voor het belang van de medezeggenschap. In een universiteit
lijkt dit belang aanzienlijk groter dan in een doorsnee productiebedrijf. Wat
ik schrijf over de medezeggenschap op centraal niveau geldt in belangrijke
mate ook voor de medezeggenschap op facultair niveau.

Evenals in de tijd van het driemanschap kan ook nu het doel van de universiteit
worden aangeduid als vorming, onderwijs en onderzoekZie het "Verslag" van het driemanschap over het
academisch jaar 1969-1970, Een zoet juk, p. 113.
. In mijn “pruttelend
potje” – de omschrijvingZie het citaat aan het begin van dit artikel. die Brabers bezigt voor de overdrachtsredeMijn overdrachtsrede is te vinden op
http://www.ru.nl/nieuws-agenda/nieuws/
vm/2014/okt/afscheid-rector/ Bij het
schrijven van Een zoet juk kende Brabers de
inhoud van de overdrachtsrede nog niet.
- heb ik nog eens benadrukt dat studiesucces veel meer omvat dan
het in de aangegeven tijd “oppikken” van het vereiste aantal studiepunten.
Een succesvolle afronding van de studie vereist dat de afgestudeerde
voldoende academisch is gevormd. Wat is daarvoor nodig? Bij de beantwoording
van deze vraag pleeg ik (geoorloofd) autoplagiaatVoor de beantwoording neem ik een
passage uit mijn "pruttelend potje" over
:11 “Academische
vorming vraagt om ruim voldoende disciplinaire kennis en inzicht op
een bepaald vakgebied, maar dat is niet genoeg, zoals onder meer Kees
Schuyt ons bij herhaling heeft voorgehoudeVergelijk Kees Schuyt, S&D 7/8, 2011. Zie
ook dezelfde auteur in: Steunberen van de
samenleving, AUP, Amsterdam, 2006, p. 214 e.v.
n.12 Kennis van of kennismaking
met andere gebieden geeft inzicht in de relatieve bijdrage van elke afzonderlijke
discipline. Naast elementaire intellectuele vaardigheden als kunnen
lezen, schrijven, spreken en rekenen gaat het om een academische attitude.
Die vraagt om openheid van geest, een zelfstandig oordeel in plaats
van vooroordelen, de bereidheid kennis te nemen van andermans oordeel
en zo nodig het eigen oordeel te herzien. Een verblijf aan een buitenlandse
universiteit kan substantieel bijdragen aan een juiste academische houding.
Studenten ervaren daar dat men anders kan aankijken tegen zaken die wij
in Nederland vanzelfsprekend vinden. Zo’n ervaring dwingt tot het opnieuw
overdenken van op het eerste gezicht vanzelfsprekendheden.” De kern van
een juiste wetenschappelijke attitude is “steeds opnieuw de vraag stellen:
“Is dat wel zo?” of zoals Gert-Jan van der Heiden, hoogleraar metafysica,
in zijn Nijmeegse oratie op 28 september jongstleden in navolging van Abel
Herzberg zei: “Jongens, denk erom, het is niet zo.”. Van der Heiden karakteriseert
de frase “het is niet zo” “als een correctief dat er voor moet zorgen
dat het oordeel dat men al te snel heeft uitgesproken of het vanzelfsprekende
dat men al te gemakkelijk heeft aangenomen, in tweede instantie
teruggenomen en opgeschort wordt”. Een dergelijke karakterisering past
niet alleen bij de beoefening van de metafysica, maar bij een academische
houding in het algemeen. Studenten moeten bovendien voldoende ruimte
krijgen om naast – niet in plaats van – hun opleiding andere dingen te doen
zoals het vervullen van bestuursfuncties, het beoefenen van muziek of sport
en het rondsnuffelen bij andere opleidingen. Studenten moeten kunnen
scharrelen om te ontdekken wat door hen nog niet ontdekt was. En wat mij
betreft is de scharrelruimte niet tot Nijmegen of Nederland beperkt.” De
student die voldoende ruimte krijgt voor zijn academische vorming heb ik in
mijn overdrachtsrede aangeduid met “scharrelstudent”, terwijl studenten
die door allerlei maatregelen gedwongen worden hun studie zo snel mogelijk
af te ronden meer trekken hebben van een “plofstudent”. Het zijn in het
bijzonder de centrale overheid en politici die van oordeel zijn dat studenten
niet langer dan vier jaar over hun bacheloropleiding mogen doen. Om
dit te bereiken is het bindend studieadvies ingevoerd en heeft de overheid
universiteiten (met financiële instrumenten) gedwongen prestatieafspraken
over onder meer het studierendement te maken. Op de overheidsbemoeienis
kom ik hierna nog terug. Ik begrijp overigens niet waarom de overheid en
politici zoveel druk uitoefenen om studenten sneller te laten studeren. Veel
mensen denken dat de overheid veel extra kosten moet maken voor studenten
die langer studeren. Dat beeld is echter onjuist. Universiteiten ontvangen
voor bij hen ingeschreven studenten slechts bekostiging gedurende
de nominale duur van de studie. Voor een bachelorstudent in de rechtsgeleerdheid ontvangt onze universiteit derhalve gedurende drie jaar bekostiging
en voor een masterstudent gedurende één jaarTenzij het gaat om de onderzoeksmaster
Onderneming & Recht, waarvan de nominale
studieduur twee jaren is.
.13 Voor de universiteit
c.q. de faculteit kan langer studeren wel extra kosten met zich brengen. De
overheid zou er mijns inziens goed aan doen het aan de universiteiten over
te laten of een student langer over zijn studie mag doen. Daarbij kan de universiteit
in aanmerking nemen wat de student binnen en naast zijn studie
heeft gedaan. Studenten die voldoende tijd aan hun academische vorming
besteden, maar door buitenlands verblijf, dubbelstudies, het volgen van
vakken in andere disciplines of bestuursfuncties langer dan vier jaar over
hun bacheloropleiding doen, verdienen het niet studiepunten te verliezen,
weggestuurd te worden of anderszins gestraft te worden.

De bemoeizieke overheid
De rectoraatsoverdracht vond al meer dan een half jaar geleden plaats. Ik
diesel nog wat na door iets te zeggen over de bemoeizieke overheid. Wie
betaalt, bepaalt, moet de toenmalige staatssecretaris Halbe Zijlstra hebben
gedacht. In 2012 zette Zijlstra € 300 miljoen – dat komt overeen met 7%
van het onderwijsbudget – apart. Universiteiten en hogescholen zouden
het geld weer terug kunnen verdienen als ze goed presteerden. Tussen het
ministerie van OCW en elk van de universiteiten en hogescholen werden
prestatieafspraken gemaakt onder meer over de studie-uitval, het studierendement,
het aantal contacturen, profileren en excellentie. Dit soort
afspraken gaat met de nodige bureaucratische rompslomp gepaard, bij
de totstandkoming van de afspraken en ook bij de controle in hoeverre de
afspraken zijn nagekomen. Voor de controle is een Reviewcommissie Hoger
Onderwijs en Onderzoek in het leven geroepen. Deze maakt in 2016 bekend
welke instellingen de afgesproken doelen hebben behaald en welke niet.
Wie het goed doet, ontvangt geld en wie onder de maat presteert, wordt
gekort. De door Zijlstra opzij gezette € 300 miljoen valt in 2016 in principe
vrij. Bovendien heeft de afschaffing van de basisbeurs en invoering van
het leenstelsel voor de overheid € 700 miljoen vrij gemaakt die in het hoger
onderwijs zullen worden geïnvesteerd. Het ministerie speelt nu met de
gedachte deze gelden via prestatiebeloningen aan instellingen uit te keren.
De minister van OCW, dr. Jet Bussemaker, schrijft aan het slot van haar brief
aan de Tweede Kamer van 21 april 2015:

“Met de prestatieafspraken beogen we de kwaliteitscultuur binnen de instellingen te
bevorderen en een voortdurend denken over en werken aan onderwijskwaliteit te stimuleren.
Ik vertrouw erop dat de hogescholen en universiteiten ook in dit laatste jaar
hard zullen blijven werken om hun ambities te realiseren.”

De idee dat universiteiten door de prestatieafspraken meer nadenken over
en werken aan onderwijskwaliteit, is een misvatting. Al ver voordat zelfs
maar aan het maken van prestatieafspraken werd gedacht, was er in onze
universiteit volop aandacht voor (de kwaliteit van) het onderwijs, niet in de
laatste plaats in de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. De prestatieafspraken
passen bij het gebrek aan vertrouwen dat de overheid en politici in
universiteiten en hogescholen hebben. Zij verdienen echter vertrouwen.
De kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs is, ook naar internationale
maatstaven, heel goed. Daarvoor zijn prestatieafspraken niet nodig.
De kwaliteit van het universitaire onderwijs wordt al op tal van manieren
getoetst. Sinds 2002 kent Nederland het accreditatiestelsel. Daarbij
worden opleidingen één keer in de zes jaren beoordeeld door onafhankelijke
visitatiecommissies. Op basis van de bevindingen van deze commissies
beslist de Nederlandse-Vlaamse Accreditatieorganisatie of opleidingen
al dan niet worden geaccrediteerd of geheraccrediteerd. Alleen geaccrediteerde
opleidingen zijn bevoegd bachelor- of masterdiploma’s te verstrekken.
De bureaucratische last van de (her)accreditatie van een opleiding is
groot, voor de universiteit, de wetenschappers, de ondersteunende staf en
de leden van de visitatiecommissie. In de loop der jaren is deze last alleen
maar toegenomen. Op 1 januari 2011 is het nieuwe Nederlandse accreditatiestelsel
hoger onderwijs in werking getreden. De belangrijkste wijziging
in het accreditatiestelsel was de invoering van een “instellingstoets kwaliteitszorg”.
Volgens een recent rapport van de NVAO had de invoering van
deze instellingstoets twee hoofddoelen: “Enerzijds het versterken van de
sturing binnen de instellingen op borging van kwaliteit van de opleidingen en
daarmee het accentueren van de eigen verantwoordelijkheid van het instellingsbestuur.
Anderzijds het beperken van de administratieve lastendruk
en het creëren van een meer inhoudelijke focus bij de beperkte beoordeling
op opleidingsniveau. Wanneer aan de eisen van de instellingstoets kwaliteitszorg
is voldaan, kunnen instellingen hun opleidingen onder een beperkt
regime NVAO/Vier jaar nieuw accreditatiestelsel
hoger onderwijs in
Nederland in cijfers/april 2015.
laten beoordelen.”14 De formulering van deze hoofddoelen is typisch
beleidsjargon waarmee ik nog immer moeite heb. Wat er ook van zij, van
het beperken van de administratieve lastendruk bij de beperkte beoordeling
op opleidingsniveau is niets terecht gekomen. Universiteiten en hogescholen
zien zich opgescheept met een heel veel tijd vragende “instellingstoets
kwaliteitszorg” en de nog steeds zeer belastende opleidingsaccreditaties.
Het zou veel beter zijn als de overheidsbemoeienis via de NVAO zich
beperkt tot de “instellingstoets kwaliteitszorg”. Een instelling die de kwaliteitszorg
op orde heeft, kan heel goed zelf zorg dragen voor een beoordeling
van de eigen opleidingen door een panel, waarin onafhankelijke experts
zitting hebben en ook studenten vertegenwoordigd zijn. Een dergelijk panel
kan opereren als een “critical friend” waardoor de opleidingen sneller
bereid zullen zijn hun eigen zwakheden niet te verhullen. De bemoeienis van
de overheid met het onderwijs is niet beperkt tot de “instellingstoets kwaliteitszorg,
de opleidingsaccreditatie en de prestatieafspraken”. Daarnaast
acteert ook nog de Onderwijsinspectie die zich met de kwaliteit van het
onderwijs bezighoudt. Het totaal levert het beeld op van een bemoeizieke
overheid die de instellingen voor hoger onderwijs niet vertrouwt en zichzelf
overschat door te denken dat universiteiten aan de Haagse leiband beter
presteren dan universiteiten met een passende autonomie. Ik heb de afgelopen
jaren kunnen zien hoe universiteitsbreed veel tijd aan de kwaliteit van
het onderwijs wordt besteed. Het verbaast mij dan ook niet dat zowel de
Keuzegids Masters als de Keuzegids Universiteiten, die de bacheloropleidingen
beoordeelt, de Radboud Universiteit het predicaat geeft “Beste brede
klassieke universiteit” van Nederland. En wat de faculteit betreft: volgens de
Keuzegids Universiteiten zijn de opleidingen Rechtsgeleerdheid (Nederlands
recht) en Notarieel recht de beste in hun vakgebied. Het is goed om weer
terug te zijn in zo’n mooie faculteit.