Van hobby naar bron van inkomen

Michelle Sangers
M.M.H. Sangers is derdejaars student Notarieel Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij schreef dit essay in het kader van het vak Inkomenstenbelasting.

1. Inleiding
Natuurlijke personen die in Nederland wonen of Nederlands inkomen genieten moeten belasting betalen over hun inkomen, zo bepaalt art. 2.1 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Uit art. 2.18 Wet IB 2001 vloeien drie soorten inkomens voort: inkomen uit werk en woning, inkomen uit aanmerkelijk belang en inkomen uit sparen en beleggen verminderd met
het daarin begrepen te conserveren inkomen. Soms kan het echter twijfelachtig zijn of activiteiten binnen deze inkomenscategorieën vallen en dus belastbaar inkomen zijn voor de Wet IB 2001. Dit is voornamelijk het geval bij box 1: belastbaar inkomen uit werk en woning. Is het knippen van oma’s haar namelijk een bron van inkomen voor haar kleindochter of is dit een hobby? In dergelijke gevallen lijkt de grens tussen de hobbysfeer en een bron van inkomen flinterdun te zijn. Het is daarnaast ook niet ondenkbaar dat een hobby wordt omgezet in een bron van inkomen. Voor het bepalen of sprake is van een bron van inkomen, zal daarom elk geval afzonderlijk bekeken moeten worden. De Hoge Raad heeft voor het beoordelen of sprake is van een bron van inkomen derhalve enkele criteria geformuleerd. Deze criteria, de zogenaamde broncriteria, onderscheiden de inkomenssfeer van de hobbysfeer. Naar aanleiding hiervan is bij mij de volgende vraag opgekomen: wanneer is er niet langer sprake van een hobby, maar van een bron van inkomen? Deze vraag zal ik beantwoorden aan de hand van relevante literatuur, beleidsbesluiten van het Ministerie van Financiën en jurisprudentie van de Hoge Raad. Allereerst zal ik uiteenzetten wat een bron van inkomen is (hoofdstuk 2). Daarna zal ik ingaan op de hobbysfeer en de ratio achter de scheiding tussen bron van inkomen en de hobbysfeer (hoofdstuk 3). Vervolgens zal ik ingaan op de grens tussen hobby en resultaat uit overige werkzaamheden
(hoofdstuk 4) en bespreek ik de overgang van hobby naar bron van inkomen (hoofdstuk 5). Tot slot zal ik aan de hand van mijn bevindingen een conclusie formuleren (hoofdstuk 6).

2. Bron van inkomen
Het Nederlandse belastingrecht gaat al menig jaar uit van de zogenaamde bronnentheorie van Fuisting. J. Doornebal, ‘Heffing van inkomstenbelasting over niet uit onderneming of dienstbetrekking voortvloeiende transactievoordelen’, WFR 1984/1243, afl. 5655, p. 1243-1251. Dat houdt in dat inkomen uit een continuerende oorzaak, een bron, voortvloeit zonder aantasting van die oorzaak.L.J.A Pieterse, ‘Bron van inkomen, een bron van zorg’, WFR 2012/549, afl. 6950, p. 549-551. Dit fenomeen wordt ook wel ‘bron van inkomen’ genoemd. In de literatuur worden de volgende bronnen van inkomen genoemd: winst uit onderneming, loon, resultaat uit overige werkzaamheden, inkomsten in de vorm van
periodieke uitkeringen en verstrekkingen, inkomsten uit de eigen woning, inkomen uit aanmerkelijk belang en inkomen uit sparen en beleggen.A.M. van Amsterdam e.a., Compendium belastingrecht in hoofdlijnen, Deventer: Kluwer 2013, p. 58. Waar een bron van inkomen echter concreet aan moet voldoen staat niet in de wet. De Hoge Raad heeft derhalve voor de invulling van dit begrip in
de loop der jaren enkele handvatten gegeven, de zogenaamde broncriteria.
Deze luiden als volgt:

• De persoon neemt deel aan het economische verkeer en is erop gericht om hieraan deel te nemen.HR 15 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3853
• De persoon beoogt voordeel.HR 25 januari 1933, B.5365 (Vriendendienstarrest).
• De persoon mag redelijkerwijs voordeel verwachten.HR 26 november 1930, B.4857 (Consul-generaalarrest).

Freudenthal stelt dat deze broncriteria cumulatief behoren te worden toegepast.R.M. Freudenthal, ‘Over een luie
wetgever, en slapend rijke burgers’, WFR 2007/1062, afl. 6736, p. 1062-1067.
Indien aan deze criteria niet wordt voldaan is er geen sprake van een bron van inkomen. Het eventueel ontvangen voordeel is dan niet belast in de Wet IB 2001 en valt dan niet binnen de inkomenssfeer.

2.1 Gericht op deelname aan het economische verkeer
Het eerste criterium ‘gericht op deelname aan het economische verkeer’ is tot op heden nog niet in de wet gedefinieerd. Kamerstukken II 2014/15, 34003, 3, p. 11 (MvT). Niessen is van mening dat dit criterium zijn oorsprong vindt in de Wet Bedrijfsbelasting 1893.R.E.C.M. Niessen, ‘Algemene en bijzondere bronkenmerken’, WFR 1997/3, afl. 6227, p. 3-11. Hij stelt dat onder het begrip ‘economisch verkeer’ moet worden verstaan ‘het produceren en ruilen van goederen en diensten’. Daarnaast acht hij het van belang dat deelname aan dit proces plaatsvindt met het oogmerk om deze goederen en diensten ook daadwerkelijk op de markt te brengen. Zowel Niessen als Stevens stellen dat de wetgever de bedoeling heeft om prestaties uit de hobbysfeer onbelast te laten.B.F. Schuver & L.J. Verhoeven (red.), Inkomstenbelasting (Fiscale
Encyclopedie De Vakstudie), Deventer: Kluwer (online in Kluwer Navigator)
.
Ook gangbare hulp in familieverband ontspringt zo de dans van de inkomstenbelasting. HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8421, BNB 2001/34. Concluderend: deelname aan het economische verkeer doet zich voor, indien de prestatie naar buiten toe is gericht en plaatsvindt in de handelssfeer. Interessant is hierbij, dat legale praktijken en illegale praktijken in de handelssfeer voor de Wet inkomstenbelasting 2001 gelijk zijn. Zo oordeelde het Gerechtshof Den
Haag begin dit jaar dat een persoon die een hennepkwekerij exploiteerde, aan het economisch verkeer heeft deelgenomen en een bron van inkomsten heeft genoten.Hof Den Haag (BK) 3 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:530, NTFR 2015, 2616.

2.2 Voordeelcriteria
Het tweede criterium is het subjectieve voordeelcriterium. Dit criterium houdt in dat met de prestatie voordeel moet zijn beoogd. Ook dit criterium heeft als doel om prestaties uit de privésfeer te weren tegen belastingheffing.Het Vriendendienstarrest is het klassieke voorbeeld van dit criterium.D.A. Albregtse, ‘Het oogmerk om voordeel te behalen (het subjectieve element)’, in: M.L.M. van Kempen, A.C. Rijkers & S.A.W.J. Strik (red.), Cursus belastingrecht, Deventer: Kluwer (online in Kluwer Navigator). Hierin stond een broer zijn broer bij met goede raad en ontving daarvoor een geldbedrag, terwijl hij die tegenprestatie niet beoogd had. De Hoge Raad besloot dat het geldbedrag onbelast bleef. Indien bij een activiteit voordeel is beoogd, wordt aangenomen dat bij de activiteiten die in het verlengde daarvan liggen ook voordeel is beoogd.HR 28 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:BH8076, BNB 1993/132.

Het derde criterium is het objectieve voordeelcriterium. Dit houdt in dat het voordeel redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Het criterium werd in het Consul-generaalarrest geformuleerd.HR 26 november 1930, B.4857 (Consul-generaalarrest). Bij de functie van consul-generaal viel er volgens de Hoge Raad te verwachten, dat de kosten doorgaans de baten zouden overtreffen. Dit was reden voor de Hoge Raad om de functie niet als bron van inkomen aan te merken. De Hoge Raad bepaalde
dat voor de beoordeling van het objectieve voordeelcriterium in beginsel moet worden gekeken naar de feiten en omstandigheden van het desbetreffende jaar, maar dat desnoods ook andere jaren mogen worden meegenomen in de beoordeling.J.P. Boer, ‘Bron van inkomen. Een onderzoeknaar de invulling van het bronbegrip door de Hoge Raad’, NTFR 2015/759, afl. 9, p. 4-10. Het objectieve voordeelcriterium is recentelijk meerdere malen bevestigd in de Piramidespelenarresten.HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8760 (Piramidespelenarrest I); HR 1 februari 2001, ECLI:NL:HR:2002:AD8763 (Piramidespelenarrest II); HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8765 (Piramidespelenarrest III). De Hoge Raad oordeelde hierin dat het rendement van een deelnemer bij deze spelen in dusdanige mate afhangt van onvoorspelbare factoren dat het behalen van een voordelig resultaat slechts speculatief is. Voordeel is bij deze spelen dus niet redelijkerwijs te verwachten en het resultaat wordt voor de deelnemers dan ook niet belast. Dat is echter een ander verhaal voor de organisator van de spelen. Voor hem valt wel degelijk redelijkerwijs voordeel te verwachten en hij zal dikwijls als ondernemer worden aangemerkt.D.A. Albregtse, ‘Het oogmerk om voordeel te behalen (het subjectieve element)’, in: M.L.M. van Kempen, A.C. Rijkers & S.A.W.J.
Strik (red.), Cursus belastingrecht, Deventer: Kluwer (online in Kluwer Navigator).
Als reactie op deze arresten kwam er een Besluit van de Staatssecretaris van Financiën waarin werd bepaald dat de opbrengst uit een piramidespel slechts in de belasting wordt betrokken indien de belanghebbende actief bij de organisatie van de spelen is betrokken.Besluit van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 27 februari 2002, CPP2002/514, V-N 2002/12.19. Met dit besluit wil de staatssecretaris de
hobbyisten tegemoet komen.

In 1990 ontstond er echter onduidelijkheid over het toetsen aan de voordeelcriteria door het gewezen Medische proevenarrest.HR 3 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:- BH7882, BNB 1990/329, m.nt. Van Dijck
(Medische proevenarrest)
In dit arrest nam een persoon deel aan medische proeven, waarbij hij een beloning in de vorm van geld ontving. Door zijn lichaam ter beschikking te stellen verrichtte hij volgens de Hoge Raad een dienst in het economische verkeer. De Hoge Raad oordeelde in deze zaak dat niet aan de voordeelcriteria hoeft te worden getoetst, indien vaststaat dat al voordeel is behaald bij het deelnemen aan het economische verkeer. Dat de voordeelcriteria toch niet onmisbaar zijn, verklaarde de Hoge Raad enkele jaren later in het Nasi- en bamireceptenarrest.HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:- BH8770, BNB 1993/203, m.nt. Van Dijck (Nasi- en bamireceptenarrest). Uit dit arrest bleek dat hoewel de nasi- en bamirecepten al in het economisch verkeer aanwezig waren en daarmee voordeel was behaald, het Hof toch niet voorbij mocht gaan aan de voordeelcriteria. De Hoge Raad formuleerde derhalve enkele gevallen waarin toetsing aan de voordeelcriteria wél noodzakelijk is:
• In gevallen waarin activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn.
• In gevallen waarin transacties louter speculatief zijn.
• In gevallen waarin de voordelen voortkomen uit in het economisch verkeer verrichte activiteiten, maar toch bij de persoonlijke sfeer horen.

3. Het onderscheid met de hobbysfeer
Hobbyactiviteiten worden noch in de wet, noch in de jurisprudentie genoemd als bron van inkomen. Ook toetsing aan de broncriteria biedt geen soelaas. Deze pogen juist de hobbysfeer van de inkomenssfeer te scheiden. Een hobbyactiviteit is dus geen bron van inkomen en valt dus niet onder de Wet inkomstenbelasting 2001. Met activiteiten in de hobbysfeer worden activiteiten bedoeld die voorzienbaar en blijvend verliesgevend zijn, stelt Hoogeveen.M.J. Hoogeveen, ‘De Hoge Raad is niet omgegaan ten aanzien van de objectieve voordeelverwachting’, WFR 2002/685, afl. 6481, p. 685-690. Een incidenteel verlies zorgt dus niet direct voor een verschuiving van de inkomenssfeer naar de hobbysfeer.Idem. Hieruit vloeit voort dat bij twijfel tussen de hobbysfeer en de inkomenssfeer altijd moet worden
getoetst aan de voordeelcriteria, zoals de Hoge Raad ook stelde in het Nasi-en
bamireceptenarrest.
HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:- BH8770, BNB 1993/203, m.nt. Van Dijck (Nasi- en bamireceptenarrest). De resultaten die voortvloeien uit het beoefenen van een hobby moeten volgens de wetgever worden gezien als een besteding van inkomen.Kamerstukken II 2000/01, 27466, 6, p. 30. Hoogeveen is het eens met de Hoge Raad en stelt dat het toetsen aan de voordeelcriteria essentieel is voor het afbakenen van de bestedingssfeer ten opzichte van de inkomenssfeer.M.J. Hoogeveen, ‘De Hoge Raad is niet omgegaan ten aanzien van de objectieve voordeelverwachting’, WFR 2002/685, afl. 6481, p. 685-690. Ik sluit mij daarbij aan. Bij een hobbyactiviteit is namelijk vaak geen voordeel beoogd en valt voordeel ook niet redelijkerwijs te verwachten. Hierdoor worden hobbyactiviteiten strikt gescheiden van bron van inkomen. Ook Boer deelt deze mening. Hij stelt namelijk dat hobbyactiviteiten ook kunnen plaatsvinden in het economische verkeer.J.P. Boer, ‘Bron van inkomen. Een onderzoek naar de invulling van het bronbegrip door de Hoge Raad’, NTFR 2015/759, afl. 9, p. 4-10. Zowel het lijden van incidentele verliezen als het plaatsvinden in het economische verkeer kunnen ervoor zorgen dat hobbyactiviteiten vaak moeilijk te onderscheiden zijn van ondernemingsactiviteiten in de aanloopfase. Kamerstukken II 1998/99, 26727, A, p. 54. Daarom is toetsing aan de voordeelcriteria uiterst noodzakelijk. De wetgever heeft bewust ervoor gekozen om activiteiten in de hobbysfeer te scheiden van activiteiten in de inkomenssfeer. Hij beoogt namelijk met deze scheiding dat structurele verliezen van hobbyisten niet kunnen worden verrekend met andere inkomsten.Kamerstukken II 1999/00, 26727, 7, p. 121. Ook heeft de hobbyist geen recht op aftrekposten. Het is immers niet zijn bedoeling om ieders hobby te financieren.

4. Hobby of overige werkzaamheid?
Het onderscheid tussen bron van inkomen en hobbyactiviteiten is niet altijd direct duidelijk.H.P.A.M. van Arendonk e.a.,
Wegwijs in de inkomstenbelasting, Den Haag: Sdu Uitgevers 2015, p. 28.
Ondernemingsactiviteiten worden gekenmerkt door het ondernemersvereiste (art. 3.4 Wet IB 2001) en dienstbetrekkingen worden gekenmerkt door een arbeidsovereenkomst (art. 7:610 BW). Het is echter lastiger om te bepalen of de persoon onder de Wet IB 2001 valt, wanneer een persoon geen werknemers in dienst heeft en wanneer hij niet wordt aangemerkt als ondernemer. Hiervoor is door de wetgever de restcategorie ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ in het leven geroepen. In deze categorie is de grens tussen hobbyactiviteiten en bron van inkomen vaak flinter-dun. C.G. Dijkstra, ‘Resultaat uit overige werkzaamheden’, in: R.E.C.M. Niessen (red.), De Wet inkomstenbelasting 2001. Met
hoofdzaken loonbelasting, Den Haag: Sdu Uitgevers 2015, p. 361-412.
Bij de afbakening van hobby en de bron ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ zijn de broncriteria derhalve onmisbaar om de inkomenssfeer van de hobbysfeer te scheiden.

In de Memorie van Toelichting wordt het begrip ‘overige werkzaamheden’ gedefinieerd als het verrichten van enige vorm van arbeid in het economische verkeer die is gericht op het behalen van geldelijk voordeel en niet is aan te merken als winst uit onderneming of loon uit dienstbetrekking.Kamerstukken II 1998/99, 26727, 3, blz. 132 (MvT). Hieruit vloeit nog een extra vereiste voort, naast de bronvereisten, voor de kwalificatie ‘overige werkzaamheid’: het arbeidsvereiste. Dit vereiste behelst drie aspecten: enige vorm van arbeid moet zijn verricht, de hoedanigheid
van de arbeid bepaalt de toepassing van de voordeelcriteria (toepassing voor diensten of toepassing voor vermogenstransacties) en de arbeid moet leiden tot het behaalde voordeel.J.P. Boer & R.M. Freudenthal, ‘Succes
naar arbeid. De interactie tussen het arbeidsvereiste en de algemene bronvoor- waarden gedemonstreerd aan de hand van drie recente hofuitspraken’, FED 2004/341, afl. 3023 (online in Kluwer Navigator).
Boer en Freudenthal zijn van mening dat uit de jurisprudentie blijkt, dat de vraag hoe de arbeid en het uiteindelijke voordeel zich tot elkaar dienen te verhouden, een gecompliceerde vraag is.J. Boer & R.M. Freudental, ‘Arbeidsvereiste. Resultaat uit overige werkzaamheden’, in: A.W. Cazander e.a. (red.), Vakstudie Nieuws, Deventer: Kluwer (online in Kluwer Navigator). In de wet is zelfs niet vastgelegd welke arbeidsvormen als werkzaamheid kunnen worden aangemerkt, maar dit achten Boer en Freudenthal geoorloofd, omdat binnen deze soort bron van inkomen enige flexibiliteit geboden is.J.P. Boer & R.M. Freudenthal, ‘Succes naar arbeid. De interactie tussen het arbeidsvereiste en de algemene bronvoorwaarden gedemonstreerd aan de hand van drie recente hofuitspraken’, FED
2004/341, afl. 3023 (online in Kluwer Navigator).
In de literatuur heerst, met name bij verduisteringszaken, een discussie over de vraag of er überhaupt arbeid moet zijn verricht voor de belasting van voordeel.R.M. Freudenthal, ‘Over een luie wetgever, en slapend rijke burgers’, WFR 2007/1062, afl. 6736, p. 1062-1067. De Hoge Raad ging hier niet op in, toen zich de vraag voordeed.HR 24 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5026,
BNB 1993/19, m.nt. Van Brunschot.
Zowel van Dijck als Freudenthal uitten hierover hun kritiek. Zij nemen desalniettemin aan dat inkomsten uit niets doen belast
kunnen zijn. Daar sluit ik mij bij aan. Ik acht het onrechtvaardig, indien inkomen uit verduistering van geld onbelast blijft.

Enkele voorbeelden van activiteiten waarbij wél arbeid wordt verricht, maar het niet direct duidelijk is of ze vallen onder resultaat uit overige werkzaamheden of onder hobby, zijn de volgende: het schilderen van kunst, fotograferen en het knippen van iemands haar.H.P.A.M. van Arendonk e.a., Wegwijs in de inkomstenbelasting,
Den Haag: Sdu Uitgevers 2015, p. 28.
Uit de jurisprudentie blijkt dat het van de omstandigheden afhangt of in dit soort gevallen sprake is van een bron van inkomen of van een resultaat uit overige werkzaamheid. Een voorbeeld uit de jurisprudentie is de uitspraak van het Hof Arnhem waarin een kunstenaar beweert dat zijn activiteiten zijn aan te merken als bron van inkomen.Hof Arnhem 24 december 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH0075, NTFR 2009, 144. De kunstenaar heeft echter niet voldoende aannemelijk gemaakt voor het Hof, dat de opbrengsten van zijn kunst de kosten zullen overtreffen. Hier loopt het dus stuk op het objectieve voordeelcriterium, waardoor de activiteiten van de kunstenaar moeten worden aangemerkt als hobbyactiviteiten.

Een ander voorbeeld is de uitspraak van het Hof Leeuwarden waarin belanghebbende sinds het jaar 2000 werkzaam is als beeldend kunstenares.Hof Leeuwarden (BK) 15 mei 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW6130, NTFR
2012, 1505, m.n.t. Molenaar.
De vraag is of haar activiteiten in 2006 en 2007 kunnen worden aangemerkt als bron van inkomen. Het Hof oordeelt dat zij inderdaad kunnen worden aangemerkt als bron van inkomen, omdat de kunstenares deelneemt aan het economisch verkeer, voordeel beoogt en voordeel redelijkerwijs is te verwachten. Aan het ondernemerscriterium voldoet de kunstenares echter niet. Het Hof oordeelt dan ook dat de activiteiten dienen te worden geschaard onder de categorie resultaat uit overige werkzaamheden.

5. Overgang van hobby naar bron van inkomen
Het gebeurt dagelijks dat mensen van hun hobby hun beroep maken. Dan doet zich een overgang voor van hobby naar bron van inkomen. De vraag is echter op welk moment niet langer sprake is van een hobby, maar van een bron van inkomen. Op deze vraag heeft de wetgever antwoord gegeven.Kamerstukken II 1998/99, 26727, 3, p. 102 (MvT). Pas indien sprake is van een bron van inkomen, kunnen kosten in aftrek worden gebracht. In de beginjaren is vaak nog niet voldaan aan het objectieve voordeelcriterium, waardoor geen sprake is van bron van inkomen. Het kan echter zo zijn, dat op een later moment wel wordt voldaan aan dat vereiste. Op dat moment vindt de overgang plaats van hobby naar bron van inkomen. Dan komen de kosten met betrekking tot de rendabele activiteiten alsnog in aanmerking voor aftrek door middel van een ambtshalve vermindering en de daarvoor bepaalde termijnen. Besluit van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 25 maart 1991, DB89/735,
V-N 1991/971, 3; Besluit van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 3 juni 1996,
AFZ96/1125M, V-N 1996/2875, 11.
Reeds is in art. 3.10 Wet IB 2001 bepaald, dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden opgesteld, waardoor de ondernemer bij het bepalen van de winst de per saldo resterende kosten en lasten in aftrek kan brengen. Dit geldt echter alleen voor de kosten die in de vijf kalenderjaren, onmiddellijk voorafgaand aan het eerste kalenderjaar als ondernemer, zijn gemaakt. Ook moeten de kosten verband houden met het starten van de onderneming en niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning kunnen of konden worden gebracht. De kosten komen dus pas in aanmerking voor aftrek, indien er positieve voordelen zijn behaald.

6. Conclusie
Wanneer de overgang van hobby naar bron van inkomen plaatsvindt, is in de praktijk niet direct te duiden. Voor elk afzonderlijk geval dient derhalve te worden gekeken naar de broncriteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd. Allereerst moet de persoon gericht zijn op deelname aan het economische verkeer: hij moet gericht zijn op het produceren en ruilen van goederen en diensten op de markt. Daarnaast moet de persoon voordeel beogen en dat voordeel moet ook redelijkerwijs te verwachten zijn. Aan deze criteria behoeft volgens de Hoge Raad slechts te worden getoetst in
gevallen waarin activiteiten voorzienbaar en blijvend verliesgevend zijn, in gevallen waarin vermogenstransacties enkel speculatief zijn en in gevallen waarin activiteiten bij de persoonlijke sfeer horen, maar waarin de voordelen voortkomen uit in het economisch verkeer verrichte activiteiten. HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:- BH8770, BNB 1993/203, m.nt. Van Dijck (Nasi- en bamireceptenarrest). Aangezien een hobby vaak voorzienbaar en blijvend verliesgevend is, spelen de voordeelcriteria een cruciale rol bij de afbakening tussen de bestedings- en inkomenssfeer. Tot slot moet in enkele gevallen ook nog worden getoetst aan het arbeidsvereiste. Dit is voornamelijk het geval bij het verrichten van werkzaamheden, diensten en niet-speculatieve vermogenstransacties.J.P. Boer & R.M. Freudenthal, ‘Succes naar arbeid. De interactie tussen het arbeidsvereiste en de algemene bron voor- waarden gedemonstreerd aan de hand vandrie recente hofuitspraken’, FED 2004/341, afl. 3023 (online in Kluwer Navigator). Als de activiteit aan alle vereisten voldoet, is sprake van een bron van inkomen. In een dergelijk geval kan de belastingplichtige zijn verliezen verrekenen en kosten in aftrek nemen. Indien niet aan de vereisten is voldaan, is sprake van een activiteit in de onbelaste privésfeer. Hier valt ook de besteding aan hobbyactiviteiten onder. De wetgever beoogt de bestedingssfeer van de inkomenssfeer te scheiden, zodat de structurele verliezen van hobbyisten niet kunnen worden verrekend met andere inkomsten.Kamerstukken II 1999/00, 26727, 7, p. 121. Mijns inziens spelen de broncriteria een cruciale rol bij de afbakening tussen hobby en bron van inkomen en zijn zij inmiddels onmisbaar geworden. De Hoge Raad heeft hiermee concrete handvatten aangereikt, die in elk geval kunnen worden toegepast. Deze handvatten bieden genoeg interpretatieruimte voor de rechter waardoor hij van geval tot geval kan bepalen wanneer er niet langer sprake is van een hobby, maar van een bron van inkomen en omgekeerd. De broncriteria zijn naar mijn mening aanknopingspunten voor de rechter en geen glasharde criteria. Dat acht ik geoorloofd, omdat zorgvuldig dient te worden omgesprongen met de opbrengsten uit de inkomstenbelasting. Van
het recht om belasting te heffen mag geen misbruik worden gemaakt. Derhalve is het begrijpelijk, dat de rechter per geval oordeelt over de vraag of sprake is van een bron van inkomen of van een hobby, opdat hij zo de Staat der Nederlanden nauwlettend in de gaten houdt.