Van een mug een olifant maken

Manon Hermans
Manon volgt op dit moment de tweejarige onderzoeksmaster Publiekrecht, waarvan het tweede jaar aan de Rijksuniversiteit Groningen is. Haar bijzondere interesse gaat uit naar het algemene bestuursrecht.

Inleiding

Interbest exploiteert een reclamemast bij de A1 bij Amersfoort. Op grond van het Trac├ębesluit A1 Hoevelaken-Bunschoten zijn er aanpassingen aan de A1 gedaan, die er volgens Interbest toe hebben geleid dat de zichtbaarheid van de reclamemast is afgenomen. Interbest verzoekt de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) om een schadevergoeding van 25.000 euro. Interbest erkent dat haar totale schade tenminste 165.886 euro bedraagt en dat ze het gedeelte boven 25.000 euro niet opgeeft, maar mogelijk bij de burgerlijke rechter zal vorderen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is op grond van artikel 8:89 lid 2 Awb bevoegd om te oordelen over een dergelijke schadeverzoek indien de gevraagde vergoeding niet hoger is dan 25.000 euro. De vraag die de Afdeling in de hier behandelde uitspraak moet beantwoorden is de volgende: is de bestuursrechter ook bevoegd indien een gelaedeerde een verzoek indient en al weet dat zijn schade hoger is dan 25.000 euro, maar geen afstand doet van het meerdere?

De minister betoogt dat de Afdeling zich onbevoegd moet verklaren, maar de Afdeling oordeelt anders. De motivering van deze beslissing is zeer uitgebreid, met onder andere een beroep op de parlementaire geschiedenis en een vergelijking met artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In deze annotatie onderwerp ik het oordeel van de Afdeling aan een kritische analyse. Om de uitspraak in de juiste context te plaatsen zal ik enkele opmerkingen maken over titel 8.4 Awb (paragraaf 2). In paragraaf 3 besteed ik kort aandacht aan het feit dat de uitspraak is gedaan door een zogenaamde grote kamer. Daarna bespreek ik de verschillende argumenten bij deze zaak aan de hand van de bekende interpretatiemethoden van de rechter. Het gaat immers in de kern om een interpretatie van titel 8.4 Awb, in het bijzonder artikel 8:89 Awb, omdat deze niet direct duidelijkheid bieden over het antwoord op de gestelde vraag. Op deze manier tracht ik de uitgebreide discussie over deze uitspraak te structureren. In paragraaf 4 inventariseer ik welke argumenten deze interpretatiemethoden opleveren. In paragraaf 5 maak ik een afweging en in paragraaf 6 sluit ik deze bijdrage af.