Klachtdelicten in het strafrecht: de werking van een oude rechtsfiguur in het digitale tijdperk

J.L.F. Groenhuijsen
Mr. Groenhuijsen is sinds 2018 verbonden aan de Radboud Universiteit en verricht onderzoek naar klachtdelicten, daarnaast is hij advocaat bij Franken Zuur van Kampen advocaten te Amsterdam.

In de Nederlandse strafrechtspleging beslist het openbaar ministerie of een dader wordt vervolgd voor het plegen van een strafbaar feit. Op grond van artikel 167 lid 2 Sv kan van vervolging worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Dit staat bekend als het opportuniteitsbeginsel. Het openbaar ministerie heeft dus een ambtshalve bevoegdheid om tot vervolging over te gaan, maar is daartoe niet verplicht. Het primaat van vervolging ligt zogezegd bij het openbaar ministerie. Het Wetboek van Strafrecht kent echter een groep strafbare feiten, waarbij dit primaat een minder centrale rol is toebedeeld. Dit betreft de klachtdelicten. Dit zijn strafbare feiten waarvan vervolging achterwege dient te blijven, tenzij een daartoe gerechtigd persoon – veelal het slachtoffer – tijdig een klacht heeft ingediend. Het ontbreken van de vereiste klacht is een absoluut vervolgingsbeletsel. Het is niet zo dat de klachtgerechtigde de keuze krijgt of de dader moet worden vervolgd. De klachtgerechtigde heeft slechts te beslissen of hij een klacht indient en zodoende de weg voor een vervolging openstelt. Door het indienen van een klacht ontstaat de mogelijkheid tot vervolging, waarna het openbaar ministerie over de opportuniteit daarvan beslist.

Klik hier om het artikel in PDF-vorm te openen.