Een scherper aangifte­ beleid: de vervolging van voortgezette criminaliteit

Jurre Ghielen
urre Ghielen is vierdejaars student Recht & Management en is momenteel bezig met de masterspecialisatie Strafrecht.

Voorbeeldig gedrag tijdens detentie lijkt een utopie te zijn. Het uitzitten van een vrijheidsstraf in een penitentiaire inrichting (PI) weerhoudt gedetineerden er namelijk lang niet altijd van om binnen de gevangenismuren strafbare feiten te plegen. Met betrekking tot deze voortgezette criminaliteit gaat het met name over drugshandel en mishandeling.1 Dergelijke strafbare feiten kunnen niet onbestraft blijven.
De Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) geeft de directeur van de PI de bevoegdheid om ordemaatregelen dan wel discipli- naire straffen op te leggen wanneer strafbare feiten zijn begaan. De directeur bevindt zichzelf hierbij in een conflict oplossende rol. De strafbare feiten die gedetineerden plegen, zijn, naast in strijd met de huisregels van de inrichting, in strijd met bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht of bij- zondere strafrechtelijke bepalingen. Derhalve is ook de straf- wet op hen van toepassing. Na aanleiding van een artikel uit Sancties over een onderzoek naar voortgezette criminaliteit in detentie, ben ik mij gaan verdiepen in hoe er met strafbare feiten wordt omgegaan in detentie.2
Waar ik in dit artikel op in wil gaan is de grens tussen het dis- ciplinair straffen van de gedetineerde en het doen van aan- gifte waardoor de gedetineerde vervolgd kan worden voor het delict. De Pbw geeft niet aan wanneer het gepleegde feit binnen de muren van de PI kan worden afgehandeld en wan- neer aangifte van het feit moet worden gedaan. De vraag die in dit artikel centraal staat is of het huidige aangiftebeleid aangescherpt dient te worden. Als eerste zal ik het huidige
stelsel van ordemaatregelen en disciplinaire straffen in de Pbw uiteenzetten (§2). Vervolgens bespreek ik het beklag
die de gedetineerden kunnen instellen (§3). Daarna ga ik in op relevante voor- en tegenargumenten voor de aanscher- ping van het aangiftebeleid (§5 & 6). Als laatste maak ik een uitstapje naar de terbeschikkinggestelden (§7) om vervolgens af te sluiten met mijn conclusie (§8).