Openbaarmaking mede­ plegersboete: heiligt het doel de middelen?

Mr. M.F. Kossen
M.F. Kossen is als docent verbonden aan de vaksectie Belastingrecht van de Radboud Universiteit en tevens werkzaam als advocaat­belastingkundige bij FT­advocaten.

De Panama Papers. Weinig juristen zullen niet bekend zijn
met het begrip. In de Panama Papers is een zeer groot aantal (11,5 miljoen) vertrouwelijke documenten van de Panamese juridische en zakelijke dienstverlener Mossack Fonseca gelekt. De documenten geven blijk van agressieve internationale tax planning,1 waarbij de desbetreffende belastingstructuren veelal door tussenkomst van intermediairs – denk aan accountants, belastingadviseurs, notarissen, trustmaatschappijen – worden opgezet.
Niet verrassend is dat het lekken van de Panama Papers heel wat teweeg heeft gebracht; niet in de laatste plaats een duide- lijk waarneembare verharding als het gaat om de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking.2 In deze bijdrage zal ik stilstaan bij het meest recente middel dat is geïntroduceerd in deze strijd: artikel 67r Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).3 Aan de hiervoor genoemde intermediairs kon op grond van artikel 5:1, lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) reeds een medeplegersboete worden opgelegd. Op grond van het op 1 januari 2020 in werking getreden artikel 67r AWR kan deze medeplegersboete vervolgens onder voor- waarden openbaar worden gemaakt.
In deze bijdrage zal ik nader ingaan op de invoering van artikel 67r AWR. Hiertoe zal ik eerst ingaan op de medeplegersboete in het fiscale boeterecht. Voorts zal ik ingaan op artikel
67r AWR. Tot slot zal ik tot een conclusie komen.