Toga’s, maatpakken en hoofddoeken: kledingvoorschriften in de rechtszaal

Thijmen van Hoorn
Thijmen van Hoorn is masterstudent Burgerlijk recht en secretaris van Pleitgenootschap Rota Carolina.

Stel, u maakt een zaak aanhangig bij de bestuursrechter.
U betreedt de rechtszaal en de rechters dragen een zwarte toga met een witte bef. Besluit u na de uitspraak in hoger beroep te gaan, komt u terecht bij de Afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State (hierna: ABRvS). De leden van de rechtbank dragen geen toga, maar veelal een mooi maat- pak. Had u in het Verenigd Koninkrijk een zaak aanhangig gemaakt, was de situatie nog anders geweest: de rechter
had naast een toga ook een pruik gedragen.
In deze bijdrage tracht ik na te gaan waarom deze verschillen bestaan en wat dit betekent voor de waarde van de toga.
Na een beschouwing van de kledingvoorschriften, hun achterliggende betekenis en hun geschiedenis in Nederland (§1), bespreek ik de problemen die ervaren worden met de kledingvoorschriften (§2). Hierna maak ik een rechtsvergelij- king met een aantal van de andere lidstaten bij het EVRM (§3) en kijk ik naar de voor- en nadelen van het behouden
of afschaffen van de voorschriften in Nederland (§4). Uitein- delijk weeg ik in de conclusie (§5) mijn bevindingen af om
tot een antwoord te komen op de centrale vraag: “Welke kledingvoorschriften zouden moeten bestaan voor rechters?”