Moet de voorzichtige marktdeelnemer alwetend zijn?

Mr. dr. J.M. Veenbrink
Marc Veenbrink is universitair docent aan de Radboud Universiteit bij de vaksectie Internationaal en Europees recht.

Eenieder dient de wet te kennen. Dit geldt voor natuurlijke personen, maar uiteraard ook voor ondernemingen. In het EU-mededingingsrecht kan een onderneming zich maar zel- den succesvol beroepen op het niet kennen van de wet. Zo spreken de Unierechters over de voorzichtige marktdeelne- mer die, eventueel met behulp van juridisch advies, de wet zou moeten kennen.1 Zoals A-G Kokott in 2013 benoemde: “Raadpleging van een juridisch adviseur is onder het huidige stelsel voor ondernemingen dikwijls de enige manier om zich volledig van de rechtssituatie op het punt van het mededin- gingsrecht op de hoogte te stellen.”2 Een onderneming moet actief zien te achterhalen hoe de mededingingsregels in elkaar zitten en kan dus niet zomaar een beroep op rechts- dwaling doen. Ondernemingen die het EU-mededingings- recht onvoldoende kennen en de regels in dit rechtsgebied schenden, zouden hoge boetes kunnen krijgen. Zo heeft de Europese Commissie in 2017, 2018 en 2019 een drietal boetes opgelegd aan Google van respectievelijk € 2.42 miljard, € 4.34 miljard en € 1.49 miljard voor misbruik van een domi- nante positie. Hoge bedragen die desalniettemin nog steeds ver onder het boetemaximum blijven. Zo mag de Commissie voor een overtreding van het kartelverbod of een overtreding van het verbod tot misbruik van een dominante positie boe- tes opleggen tot 10% van de omzet van de betrokken onder- neming in het voorgaande jaar.3 Voor Google gold dat de bedragen slechts op respectievelijk 2,97%, 4,43% en 1,29% van de omzet van Alphabet, het moederbedrijf van Google, uitkwamen. Zelfs al wordt niet altijd de maximale boete opgelegd, zijn de consequenties voor een inbreuk op de mededingingsregels groot. Daarnaast bestaat er een sterke verantwoordelijkheid voor ondernemingen om zorg te dra-
gen dat ze de wet kennen en geen inbreuk maken op de EU-mededingingsregels. De vraag is hoe ver de verplichting reikt voor ondernemingen om het kartelverbod en het ver- bod op misbruik van een dominante positie te kennen.
Dit onderwerp zal worden besproken aan de hand van een voorbeeld, namelijk de aansprakelijkheid voor handelingen van een ingehuurde onafhankelijke derde partij. Hierbij zal voornamelijk gekeken worden of deze vorm van aansprake- lijkheid tegen de grenzen van het rechtszekerheidsbeginsel aanloopt. Allereerst zal er naar jurisprudentie van de Unie- rechters over het rechtszekerheidsbeginsel gekeken worden. Daarna wordt het betreffende voorbeeld besproken en zal de jurisprudentie over het rechtszekerheidsbeginsel op dat voorbeeld worden toegepast. Tot slot, komt er een conclusie op de vraag of de voorzichtige marktdeelnemer inderdaad alwetend moet zijn.