12 november 2019
J.J. Dammingh

De digitalisering van de civiele procedure: voorlopig mislukt!

“Digitalisering van de rechtspraak is een onontkoombare ontwikkeling die – gegeven het niveau van digitalisering van onze samenleving – maatschappelijk zeer gewenst is”, zo schreef de Raad voor de rechtspraak(1) in zijn brief van 10 april 2018 aan de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: ‘Minister’). De Minister was het hier van harte mee eens: de rechterlijke macht moet met zijn tijd meegaan en kan niet ‘tot in lengte van dagen alleen op papier blijven werken’(2) . Het streven van de wetgever is dan ook om de digitale procedure te introduceren, en wel zo spoedig mogelijk. In de civiele rechtspraak is thans de papieren procedure nog gangbaar. Wanneer een schuldeiser een procedure bij de rechtbank aanhangig wil maken tegen een schuldenaar, dan zal hij gelet op artikel 111 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) aan een deurwaarder moeten opdragen om – namens hem – een (papieren) exploot aan de schuldenaar uit te brengen. Daarmee wordt die schuldenaar opgeroepen om in een procedure bij de rechtbank te verschijnen. De deurwaarder laat een afschrift van het (papieren) dagvaardingsexploot bij de schuldenaar achter en stuurt het origineel terug naar de advocaat van de schuldeiser. De advocaat zal de dagvaarding vervolgens bij de rechtbank laten inschrijven (art. 125 Rv). Als de schuldenaar aan de oproep gehoor geeft en in de procedure verschijnt, dan zal hij – als gedaagde – een (papieren) conclusie van antwoord mogen indienen (art. 128 Rv). Ook van de overige processtukken – voor zover aan de orde – zal steeds een schriftelijk exemplaar bij de rechtbank worden ingediend (zie bijvoorbeeld art. 130 en 132 Rv). De rechter zal uiteindelijk een schriftelijk vonnis wijzen (art. 230 Rv). Kortom: het gehele procesdossier kan behoorlijk ‘in de papieren lopen’. Dat is om meerdere redenen onwenselijk in het huidige digitale tijdperk. In 2012 heeft de Raad voor de rechtspraak (samen met de Minister van Veiligheid en Justitie) het project ‘KEI’ geïnitieerd. ‘KEI’, dat staat voor ‘Kwaliteit en Innovatie’, moest resulteren in een ‘eenvoudige, flexibele, digitale procedure’.(3) Het KEI-project heeft ertoe geleid dat in oktober 2014 wetsvoorstel 34 059, strekkend tot vereenvoudiging en digitalisering van de civiele procedure, bij de Tweede Kamer is ingediend.(4) Dit wetsvoorstel voorzag onder meer in ‘het starten en verder afhandelen van een procedure langs elektronische weg’.(5) In de Memorie van Toelichting is hierover opgemerkt: “De samenleving digitaliseert en met dit wetsvoorstel sluiten de gerechten bij die ontwikkeling aan. Het voorstel zal erin resulteren dat alle civiele en bestuursrechtelijke procedures digitaal kunnen starten via een webportaal. Ook wordt het digitaal indienen van (proces)stukken mogelijk.”(6) Het wetsvoorstel is met succes door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer geloodst, en het is als wet van 13 juli 2016 in het Staatsblad gepubliceerd.(7) Het implementeren van de digitale procedure bij alle gerechten ineens werd een te gecompliceerd en omvangrijk traject geacht. Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen om de nieuwe wet – hierna gemakshalve ‘KEI-wetgeving’ – gefaseerd in werking te laten treden. De Rechtbank Gelderland en de Rechtbank Midden-Nederland zijn aangewezen als ‘pilotgerechten’: bij deze gerechten is het digitaal procederen – op basis van de KEI-wetgeving – met ingang van 1 september 2017 verplicht gesteld.(8) Daartoe wordt gebruik gemaakt van een nieuw ICT systeem dat speciaal voor het digitaal procederen is ontworpen. Als het digitaal procederen bij de pilotgerechten naar wens zou verlopen, dan zou het vervolgens – binnen afzienbare tijd – bij alle gerechten in Nederland worden ingevoerd, zo was het streven van de wetgever.(9) Klik hier om het artikel in PDF-vorm te openen.